logo protestantse kerk logo protestantse kerk
  • ⌂
  • Over ons
    • 't Kruispunt
    • Pastoraat
    • Diaconie
    • ZWO
    • Kerkenraad
    • Samenwerkingen
  • Handig
  • Bezinning
    • Pastorale klank
    • De Psalmen
  • Zoeken
  • Contact
  • Agenda
Inloggen

Maandelijks verschijnt in ons kerkblad 2Klank de meditatieve rubriek Pastorale Klank, veelal geschreven door onze eigen pastor, soms ook door anderen. De mees recente klanken vindt u hier.

Pastorale klank Mei 2026

Wie hoort de Geest in al wat leeft?

In deze Paastijd kijk ik in onze kapel graag naar het kruis, waar een witte doek overhangt als teken van verrijzenis. Aan de voet van het kruis staat een afbeelding van drie vrouwen. Staande onder het kruis als de eerste getuigen van de verrijzenis.
Verward, verdrietig, bang én vol vreugde – zo worden zij getuigen van de Levende, van de mogelijkheid van nieuw leven.
Deze beelden in onze kapel nodigen mij uit om stil te worden bij het geheim van Pasen, het geheim van de Liefde die opstaat. Tegelijkertijd dagen de beelden mij uit om te reflecteren op dit geheim en wat het met ons doet bij de opbouw van gemeenschap, van kerk-zijn. Die vrouwen onder het kruis, de vrouwen bij het graf: ze zijn nergens, want hun grote liefde was dood. Hun hoop weggeslagen. Dit overkomt zoveel mensen in onze wereld, het is helaas van alle tijden. De machthebbers winnen met grof geweld en wat blijft er dan over?
Iedere mens die ervaren heeft wat het is om met lege handen te staan, weet dat goedkope troost dan niet te verdragen is. Als er een dierbare sterft, als je in de rouw bent, als je bang of verward bent over wat jou overkomt of over wat er in de wereld en met de schepping gebeurt, is een gemakkelijk antwoord of een snel gebaar niet goed te verdragen. De verwarring, de angst en het verdriet hebben ruimte nodig.

Daardoorheen kan misschien iets nieuws ontstaan, maar dat kan echt een hele tijd duren. Hoe kostbaar is het als er dan een kleine vonk van hoop gezien wordt, waardoor je ervaart dat je niet geheel verloren zult gaan. Dat er meer is, dat er Iets of Iemand is die bij je blijft.
De vrouwen onder het kruis ontvingen die vonk van hoop en zo stond de Liefde in hen op. Dat kan ook ons overkomen.
En áls dat gebeurt, áls die Liefde in ons opstaat, wordt ons hart zachter en ons oordeel milder. Dan ontstaat er ruimte voor nieuw leven, nieuwe initiatieven – zo groeide ook de vroege Kerk. Het geheim van Pasen heeft tijd nodig om diep tot ons door te laten dringen dat de dodende machten niet het laatste woord hebben, noch in onze wereld, noch in onze eigen ziel. Een wonderlijk besef, dat leven doorgaat en liefde altijd sterker is dan welke dodende krachten ook – want als we de wereld beleven, is daar meestal weinig van te merken. En toch, Hij lééft! En wij mogen met Hem léven.

Zo leven we in deze Paastijd toe naar het feest van Pinksteren. We wachten op de gaven van de heilige Geest, die we nodig hebben om het nieuwe begin daadwerkelijk verder uit te bouwen met ons eigen leven. Het is dan met Pinksteren dat de Geest ons opent om elkaar te verstaan, om alle verschillen die er zijn in de kerk, in de gemeenschap waar we deel vanuit maken, in de wereld waarin we wonen, te gaan beleven als een verrijking. Om werkelijk te luisteren naar de ander, ons in elkaar te verdiepen. Ook dat vraagt tijd en
geduld. Luisteren naar een ander zonder meteen mijn eigen reactie te geven, zonder te vervallen in ‘O ja, dat heb ik ook meegemaakt en toen...’ en zo het gesprek over te nemen. De
ander ruimte geven en in die ruimte bij het verhaal van de ander blijven is een hele kunst, merk ik zelf in allerlei ontmoetingen. Het feest van Pinksteren geeft daartoe een kans: de velen die bijeen waren spraken in hun eigen taal, en toch verstonden ze elkaar. Ook wij mogen oefenen om te luisteren naar de ander, ook als ik diegene niet versta of als ik denk dat ik zo langzamerhand alles wel weet van die ander.
Luisteren, de ander zien zoals diegene is en zo ruimte bieden aan de heilige Geest en haar het spel van de communicatie laten regisseren. Dat maakt het leven spannend en mooi,
zo maken we elkaar mooi, zo worden we meer gemeenschap en meer kerk.
Zo maken we samen de wereld een beetje mooier en menselijker. Laten we luisteren naar de Geest in al wat leeft.

Leonie van Straaten
Lid van Gemeenschap De Hooge Berkt, priester van het Oud-Katholieke Bisdom Utrecht en assisterend pastoor
in de Oudkatholieke parochie in Eindhoven, studentenpastor van het Oud Katholieke Seminarie, werkzaam als
docent Bibliodans en geestelijk begeleider.

Pastorale klank Januari 2026

In het Oosten is een ster opgegaan.

Als ik dit schrijf zitten we medio december, nog ruim voor oud en nieuw. Maar toch kunnen we al vaststellen dat het afgelopen jaar er
weer één is geweest in een reeks van jaren waarin de wereldgeschiedenis een neergaande lijn heeft getekend. Ik hoef u daarvan geen voorbeelden te noemen. Weinig reden tot optimisme in elk geval. Maar ook weinig reden tot hoop?
Het verschil tussen optimisme en hoop is dat die laatste niet is gebaseerd op waarneembare trends. Hoop kan je ook volhouden tegen beter weten in, waar optimisme gebaseerd is op behaalde resultaten uit het verleden.

“Het glas is halfvol” is een optimistische uitspraak. Maar door hoop kan je zelfs in een leeg glas het aanbreken van een betere tijd herkennen.
Het verhaal van de wijzen uit het Oosten is bij uitstek een verhaal van hoop. In de eerste zin worden gelijk de drie hoofdrolspelers genoemd: Jezus,
geboren in Betlehem in Judea, Herodes en de magiërs (Matteüs 2.1). Het precieze aantal wordt niet expliciet genoemd. Men gaat ervan uit
dat het er drie moeten zijn geweest, vanwege de drie verschillende geschenken die zij meenamen: goud, wierrook en mirre.

Zij kwamen waarschijnlijk uit Perzië, waar men toen al de bewegingen van de sterren nauwkeurig bestudeerde.
Via de sterren communiceerden de hogere machten met de mensheid – zo geloofde men. De stand van de sterren was dus belangrijk voor het nemen van de juiste beslissingen.
De magiërs, die dus sterrenkundigen waren, zagen een nieuwe ster opgaan in het Oosten: een koningsster. Zij reisden deze ster achterna en deze wees het kindje Jezus aan, in plaats van koning Herodes, die tot dan toe de titel “koning der Joden” mocht voeren. Hoe ongerijmd is het dat zij juist alléén die ster volgden, zonder oog voor “de context” – die wij altijd zo belangrijk vinden? Hoe tegenstrijdig is het dat ze wél Jezus
gingen eren - een klein, nog onmondig kind, in een nederig huisje (géén stal in Matteüs!) – en niet Herodes, de koning met zijn grote woorden en al zijn pracht en praal?

Dat kwam omdat zij ánders naar de wereld keken: hoopvol. Zij kenden de Bijbelse profeten nog niet. Zij kenden de Heer door het “boek van de
hemellichamen” – een god nog zonder verhaal. En natuurlijk kenden ze het verhaal van hun eigen goden, waardoor ze wisten dat deze ster een
bijzondere was. Is het geen wonder dat God hen ook in deze totaal andere context, met alleen één enkele ster, kon overtuigen om te gaan naar een kind in een uithoek? Dat kan alleen als de magiërs geloofden dat wat in de hemel is, groter, belangrijker en vooral wézenlijker is dan al het aardse.

Dat gevoel probeer ik ook op te roepen als ik naar de sterrenhemel kijk: het heelal is zo oneindig veel groter dan ons aardse maatstaven: als ik over die peilloze diepte tussen de sterren mijmer, en mij de krachten probeer voor te stellen en de enorme afstanden waarover die werken, dan krijg ik dat gevoel nog eens extra. Ik ben minder dan een stofje in de oneindigheid. En toch sta ik hier en kijk we naar de hemel. Blijkbaar wil die ontzagwekkende Hemel aanschouwd en bestudeerd worden.

Dat het de bedoeling was dat deze kosmos een kind heeft voortgebracht dat veel mensen vrede zou schenken, dat is het grootste wonder. Dat alleen als is genoeg reden om in Hem te geloven.

Matthijs de Vries

Pastorale klank April 2026

LOFLIED OF NIET

Bij ons in de kerk is het zingen een belangrijk onderdeel van de liturgie op zondagmorgen. Samen zingen geeft verbinding, het is fijn om met elkaar je stem te verheffen. Zingen doen wij graag en veel. Er bestaan verschillende soorten liederen. In de bijbel vinden we het boek van de psalmen, daar zijn veel verschillende genres. Klaagliederen, vertellende liederen, en lofliederen. In dit artikel wil ik speciale aandacht geven aan het loflied. Halleluja, betekent loof de Heer. Lofliederen zijn over het algemeen liederen, die we goed kennen, echte meezingers. Het liefst gaan we er bij staan. En van een echt mooi loflied blijft de melodie nog dagenlang in ons hoofd naklinken.

Een loflied zingen we uit dankbaarheid, om Gods grote genade, een loflied zingen we op feestdagen, een loflied zingen we, omdat het zolekker is met elkaar te zingen. Er zijn
kerkgemeenschappen, waar een groot deel van de eredienst bestaat uit het zingen van lofliederen. Jubelen en juichen, de vreugde van het geloof beleven. In onze liturgie heeft het
loflied een vaste plaats. We hebben het gebed om ontferming. Wij roepen God aan voor de nood van de wereld, en wij bidden om ontferming. Dan komt de genadeverkondiging.

Gods barmhartigheid kent geen einde, en daarom prijzen wij zijn naam, daarom zingen wij een loflied. Dit grijpt terug op een oude volgorde, die we terugvinden in de Heidelbergse Catechismus, ellende verlossing, dankbaarheid. Vanuit de ellende bidden wij om ontferming, de verlossing wordt ons aangezegd, en uitdankbaarheid zingen we een loflied. Maar er zijn ook momenten dat we géén loflied zingen. Als de liturgische kleur paars is, als wij ons voorbereiden op een groot feest, dan zingen we géén loflied. De Adventstijd, en de tijd voor Pasen, zingen we geen loflied. Dat wordt in die tijd niet passend geacht.

De tijd voor Pasen, veertig dagen van voorbereiding, wordt ook wel de vasten genoemd. Vasten betekent je zelf onthouden van genot. Dingen, die je fijn vindt, die je lekker vind, niet doen. Niet snoepen, geen alcohol drinken, geen computerspelletjes doen. En er zijn andere manieren van vasten. Er zijn geen vastomlijnde voorschriften, velen vullen dat zelf in.
Het heeft als doel, dat je aan den lijve ervaart, dat je ook best zonder die genotsmiddelen kunt. Dat je ook eens voelt, wat iemand die arm is voelt. Het is ook een oefening in dankbaarheid. Als je veertig dagen niet gesnoept hebt, is dat eerste snoepje daarna, extra lekker, dan geniet je daar veel meer van, en dan ben je daar ook dankbaar voor. Veertig dagen jezelf inhouden en geen loflied zingen, betekent, dat op de dag dat het grote feest is aangebroken, dat loflied des te dieper en intenser mag klinken.

Bovendien betekent veertig dagen lang geen loflied zingen, dat je meer gelegenheid hebt bij het lijden stil te staan, het lijden serieus te nemen. Als je in de eredienst, weliswaar bidt voor de nood van de wereld, maar direct daarna een loflied zingt, kan het gebeuren, dat in het halleluja van dat loflied, de nood van de wereld overstemd wordt. Laat de nood en het lijden ook eens gewoon staan, luister er naar, neem het serieus, ook dat is een belangrijk aspect, van die lijdenstijd. Een loflied zingen we doen het graag en vaak. Maar door het ook eens een tijd niet te doen, worden we meer doordrongen van de betekenis er van. En kan op de dag dat het Paasfeest is aangebroken, dat loflied, dieper en intenser klinken.

Mirjam van Nie

 

Pastorale klank Februari 2026

Veertig dagen op weg naar Pasen.

Als deze 2Klank verschijnt zijn we al ruim aan de Veertigdagentijd begonnen, de voorbereidingstijd op Pasen. Maar ik schrijf deze Pastorale
Klank op Aswoensdag, de dag om het askruisje te halen en daarmee het begin van Veertigdagentijd te markeren.
Da as die daarbij gebruikt wordt is die van het verbranden van de palmtakjes die op Palmzondag vorig jaar zijn uitgedeeld. Kurkdroog zijn
die, na 46 weken bewaren, dus dat verbranden en tot as worden gaat snel. Zo verbindt de liturgie van de kerk het ene Paasfeest aan het volgende Paasfeest. Maar niet alle palmtakjes van vorig jaar blijken te zijn verdroogd.

Van de twee takjes die ik vorig jaar in de Clemenskerk in Nuenen ophaalde op Palmzondag is degene die ik thuis achter de spiegel in de woonkamer stak bruin en verdroogd. Maar het andere takje dat ik op het graf van Cees in de grond stak, staat er nog groen bij. Het moet wortel geschoten hebben in de aarde en wacht nu op het voorjaar om weer uit te lopen en verder te gaan groeien.

Dat groene takje heeft me de hele winter door, elke keer als ik naar de begraafplaats ging ontroerd. Juist op die plek van dood heeft dat afgeknipte en in de kerk gewijde takje z’n levenskracht behouden of teruggevonden – hoe je het ook wilt zeggen. Ongedacht en onverwacht.
Alle eerdere jaren dat ik er een palmtakje in de grond stak werden ze gewoon bruin en verdroogden ze. Als je het verhaal niet kent zie je gewoon een groen buxusplantje op het graf staan. Maar voor mij is juist dit plantje een stukje Paasverhaal.

En ik weet van de biologielessen op de middelbare school en mijn vakken plantkunde aan de Landbouwuniversiteit natuurlijk heel goed hoe dat kan en werkt, met cellen in de knopen van zo’n takje die kunnen gaan delen en wortels vormen als de omstandigheden gunstig zijn.
Dat is het plantkundige deel. Maar mijn geloofshart ziet meer en kijkt anders. Dat ziet er ook iets van Pasen gebeuren. Maar de tuin eromheen
bloeit nog niet en is nog winters dor.

Ik moet denken aan dat mooie lied 982 uit ons liedboek: In de bloembol is de krokus, in de pit de appelboom, in de pop huist een belofte:
vlinders fladderen straks rond. In de koude van de winter groeit de lente ondergronds, nog verborgen tot het uitkomt, God ziet naar de schepping om.

Elke stilte kent zijn zingen, zoekt een woord en melodie, ieder duister wacht een morgen in dat licht is alles nieuw. Het verleden bergt de toekomst, wat die brengt, je weet het niet, nog verborgen tot het uitkomt, God alleen herschept en ziet. In ons einde is de aanvang, in de tijd oneindigheid, in de twijfel ligt geloven, in ons leven eeuwigheid, in de dood het nieuwe leven, overwonnen alle strijd, nog verborgen tot het uitkomt, God alleen herkent die tijd.

Een lied van hoop en van vertrouwen, op weg naar Pasen. Ook een lied dat in de tekst naast alles wat voor onze wereld zo gewoon is, steeds
iets anders van God zet. Naast de stilte het zingen, naast het duister een nieuwe morgen, naast het verleden een toekomst, naast het einde een
begin, naast de twijfel het geloven, naast de dood het nieuwe leven... En steeds is het God die omziet, herschept, ziet en herkent.

Allemaal woorden voor het gebeuren van Pasen, dat nooit compleet in woorden te vatten is. Elke zin begint met de Veertigdagentijd en eindigt zo met Pasen. Zo wens ik ons goede en bezinnende weken toe in deze Veertigdagentijd op weg naar Pasen,

Pieter Flach

Pastorale klank juli 2026

Een scheppende God

Begin juni was ik gastheer in de Ontmoetingskerk (Protestantse Wijkgemeente Eindhoven-Zuid) voor leerlingen van het Augustinianum te Eindhoven. Een mooi en leerzaam initiatief van deze school waarin leerlingen (14/15 jaar) verschillende geloofsgemeenschappen bezoeken. Naast de protestantse kerk zijn ze ook bij een moskee geweest. Ik had een programma samengesteld waarin ik ze iets vertelde over onze protestantse traditie. Daarbij liet ik ze ook zingen, ging ik voor in gebed, en vertelde wat er meer te zien is in de kerkzaal. Nog belangrijker was de ruimte om vragen te stellen. Daar maakten de leerlingen dan ook graag gebruik van. Waarom staan er zoveel liederen in het liedboek? Houdt de Bijbel op bij de dood van Jezus? Wat betekent ‘amen’? Ik was simpel gekleed, waarop een leerling vroeg waarom ik geen pak of toga droeg. Sommigen leerlingen zochten vergeefs naar beelden of schilderijen. Op de vraag of er ook een kruis in de kerk was wisten een aantal leerlingen deze te ontdekken in de lampen.

Één vraag bleef bij mij in het bijzonder hangen: geloven jullie dat God de schepper is van de aarde?

Mijn antwoord was kort en duidelijk: ja, onze kerkgemeenschap gelooft in een God die schepper is van de aarde. Wat de leerlingen van dit antwoord vonden weet ik niet. Ik had ze dit kunnen vragen. Maar ik meende iets van tevredenheid in hun ogen te lezen. Dat het fijn is en dat het goed doet om te geloven in een God die dingen maakt. En niet kapot maakt. Geloven in een schepper, een maker, een beweger.

Geloven in een scheppende God geeft hoop. Soms zakt ons de moed in de schoenen. In hoe mensen met elkaar omgaan. In een wereld waarin zoveel spanningen zijn. Als mensen schelden en geweld gebruiken. Dichtbij ons zelf, als er geen wederzijds begrip is. Als we zien dat er niet goed met Gods schepping, mens en natuur, wordt omgegaan. Vooral dan is en blijft de kerk een plek waar hoop is. Waar hoop wordt uitgesproken. Waar mensen samenkomen die niet opgeven en geloven in een God die niet loslaat. Ad van Nieuwpoort beschrijft in zijn boekje ‘Buig niet’ heel mooi hoe bidden daarbij een rol speelt. Daarbij verwijst hij naar Miskotte die schrijft: ‘Bidden betekent: niet berusten. Het is een acte van vrijheid tegenover het bestaande, het gegevene, te midden van de noodwendigheden en de bindingen’.

Als wij bidden tot God, spreken wij de hoop uit dat een omkering mogelijk is. Dat het anders kan. Dat we niet berusten in hoe de dingen gaan of zijn. Dat is leven met hoop, en niet met angst. Zo leven geeft lef en moed. Daarbij kunnen we een voorbeeld nemen aan de profeet Daniël. Ondanks het gevaar bleef hij bidden. En hij deed dat met een open venster (Daniël 6:11). Iedereen kon het zien. Met een open vizier toonde hij moed en liet hij zich niet de mond snoeren. Ik geloof dat de bijbel ons dát wil leren. Dat we niet berusten in hoe de dingen gaan, maar leven met lef en moed.

Ik geloof dat de kerk een plek is waar deze boodschap wordt uitgedragen. Een plek waar je veilig bent. Waar je mag zijn wie je bent. Geschapen naar Gods beeld.

De leerlingen bedankten mij voor de rondleiding. Ik heb het idee dat de boodschap die we als kerk uitdragen bij hun is binnengekomen. Daar hoop ik niet alleen op, daar vertrouw ik op.

Lieuwe Wijbenga

Kerkelijk werker in Veldhoven en Eindhoven

Pastorale klank juni 2026

duif

En boven alles uit zweeft de duif

De bijbel gebruikt allerlei beelden voor de heilige Geest. In het Pinksterverhaal uit Handelingen 2 zijn dat tongen die op vuurvlammen lijken en het geluid van een hevige windvlaag. Allebei beelden die beweging suggereren. Op andere plekken wordt gesproken over de heilige Geest in de gedaante van een duif. En die duif kennen we ook uit het verhaal van Noach. Als die duif na de tweede verkenningstocht over de aarde die aan het droogvallen is terugkomt met een groen olijfblad in de snavel is dat het teken voor Noach dat er weer leven mogelijk is op aarde.

Die duif uit dat verhaal is zo een internationaal teken van vrede geworden en van leven op aarde.

De titel boven deze pastorale klank is een regel uit lied 163 uit ons liedboek. Dat lied hebben we in de Pinksterdienst gezongen. Het gaat over de Ark van Noach en de hele bewoning van die boot. Een lied vol dieren, want die mogen twee aan twee mee. Maar een paar hebben er in dit lied een bijzondere plek – er wordt net wat meer dan hun naam verteld: de slang uit de tuin van Eden, de haan die kraait in het lijdensverhaal, het lam waarnaar de goede herder op zoek ging en dan tenslotte de duif die boven alles uitvliegt. Zo komt in die ark de hele wereld samen.

Dat rijmt op Pinksteren, als al die verschillende inwoners van Jeruzalem in hun eigen taal horen wat de leerlingen aan goede boodschap over Jezus vertellen. En het zijn er nogal wat. Tijdens de avond van oecumenisch bijbellezen anderhalve week voor Pinksteren pakten we de kaart van het Midden-Oosten en de landen rond de Middellandse Zee erbij. Ze worden bijna allemaal genoemd in dat rijtje waar menig lector op moet oefenen om het in de Pinksterdienst goed te kunnen voorlezen:

8Hoe kan het dan dat wij hen allemaal in onze eigen moedertaal horen? 9Parten, Meden en Elamieten, inwoners van Mesopotamië, Judea en Kappadocië, mensen uit Pontus en Asia, 10Frygië en Pamfylië, Egypte en de omgeving van Cyrene in Libië, inwoners van Rome die zich hier gevestigd hebben, 11en ook mensen uit Kreta en Arabië, zowel Joden als proselieten – wij allen horen hen in onze eigen taal spreken over Gods grote daden.’ 

Die gezamenlijkheid en de verbinding in dit verhaal is het wonder van Pinksteren. Mensen uit wat toen de hele bekende wereld was, bij elkaar. Talen blijken geen grenzen meer te zijn, zoals ze dat in onze wereld gewoonlijk wel zijn. En de Joodse rabbijnen bogen zich er al over hoe al die dieren samen de ark hadden kunnen bevolken zonder elkaar als prooi te beschouwen. Ze trokken de conclusie dat de roofdieren in de ark voor die tocht vegetariërs geworden waren, om samen behouden die vaart naar de vrijheid te kunnen volbrengen, zoals ook de dieren in de tuin van Eden alleen planten, kruiden en vruchten als voedsel krijgen en lijken nodig te hebben. Zo kunnen ze vreedzaam samenleven.

Maar niet iedereen gaat zomaar mee in dat visioen van vreedzame verbinding. Ook in het Pinksterverhaal klinkt het ongeloof en de achterdocht.

12Verbijsterd en geheel van hun stuk gebracht vroegen ze aan elkaar: ‘Wat heeft dit toch te betekenen?’ 13Maar sommigen zeiden spottend: ‘Ze zullen wel dronken zijn.’

Zo ontnuchterend kun je het gebeuren van Pinksteren dus ook bekijken en er schouderophalend aan voorbij lopen. Een malle vertoning die je maar snel vergeten moet, nepnieuws… Laten we vooral blijven bij dat wat we kunnen meten en wegen en waarnemen. En dan is die heilige Geest die iets heel anders in beweging brengt een verstoring van wat gewoon en wat vertrouwd is.

Duiven zijn mensenvogels; ze leven waar mensen zijn. Maar eigenlijk zijn het vogels die van origine leven op en langs de rotsen. Een smalle richel of een kleine spleet is voor hen genoeg om een nest te bouwen en te kunnen leven. En met onze stenen huizen en tegeltuinen hebben we voor hen een soort rotsomgeving gebouwd waar ze vanzelf thuis zijn. En dus komen we ze overal tegen. Want boven alles uit zweeft de duif.

Ga je nu anders naar die vogels kijken, nu het Pinksteren geweest is?

Warme inspiratie gewenst,

Pieter Flach

Pastorale klank september 2026

In de zomer houden sommige van onze kerken minder diensten. Dat is begrijpelijk: er zijn vakanties, predikanten en organisten zijn weg, en de bezetting is soms klein. Toch levert het ons ook een spiegel op. Want als er op zondag geen dienst is in onze eigen kerk, klinkt al snel de verzuchting: moeten we dan helemaal naar het volgende dorp? Het is zo vér. We kennen de mensen daar niet. En eerlijk is eerlijk: de banken zitten er ook niet altijd even lekker.

Deze zomervakantie moest ik daaraan denken toen ik bij het Siljanmeer in Zweden was. Aan de oevers van dat grote meer, in de streek Dalarna, maakte ik kennis met het verschijnsel ‘kerkboot’. Eeuwenlang was het water daar de belangrijkste weg. Vanuit verspreide dorpjes roeiden kerkgangers op zondag naar de kerk, onder andere naar Rättvik. Dat gebeurde in ranke, overnaadse houten sloepen, gebouwd om veel mensen tegelijk te vervoeren. In sommige kerkboten konden wel zestig mensen mee; de grootste werden voortbewogen door twintig roeiers.

roeiboot

Wie daar nu staat, ziet nog iets van die wereld. De kerk van Rättvik ligt prachtig op een schiereiland in het meer. Aan de waterkant staan rijen houten stallen: herinneringen aan de mensen die niet over het water, maar te paard naar de kerk kwamen. Ook de kerkboten zelf zijn niet verdwenen. Ze worden tegenwoordig vooral nog gebruikt bij roeiwedstrijden rond de midzomerfeesten. Wat ooit noodzaak was, is nu erfgoed geworden. Maar het verhaal erachter blijft veelzeggend.

Want deze mensen kwamen niet omdat de route gemakkelijk was. Ze kwamen ondanks afstand, kou, wind, golven en ongemak. Ze kwamen omdat de samenkomst van de gemeente, het horen van Gods Woord en het gezamenlijk bidden en zingen de moeite waard waren. Een kerkbezoek vroeg voorbereiding, samenwerking en volharding. Je stapte niet zomaar even in; je nam je plaats in de boot, pakte een riem, en ging samen op weg.

Misschien is dat voor ons een bescheiden maar heilzame les. Natuurlijk hoeven wij meestal niet over een meer te roeien om naar de kerk te gaan. Vaak is een fiets, auto of korte rit naar een buurgemeente genoeg. En toch kan juist dat kleine ongemak groot voelen. Dan helpt het om aan die kerkboten op het Siljanmeer te denken. Als zij met zoveel inzet naar de kerk gingen, laten wij dan niet te snel zeggen dat het ons te veel moeite is.

Als oud-roeier bij de Studentenroeivereniging Sköll in Amsterdam sprak dit beeld me aan: Laten we niet klagend thuisblijven, maar samen onderweg gaan naar de plaats waar de gemeente samenkomt.

Ds. Matthijs de Vries, Bergeijk

  • ANBI
  • Veilige Kerk
  • Privacy verklaring (AVG)
  • Organisatie

Wijdekerk

  • redactie@pggweb.nl
© 2026 Protestantse Gemeente Geldrop - Mierlo
logo protestantse kerk logo protestantse kerk
Inloggen
  • ⌂
  • Over ons
    • 't Kruispunt
    • Pastoraat
    • Diaconie
    • ZWO
    • Kerkenraad
    • Samenwerkingen
  • Handig
  • Bezinning
    • Pastorale klank
    • De Psalmen
  • Zoeken
  • Contact
  • Agenda
  • redactie@pggweb.nl