Psalm 46
Psalm 46
In deze korte psalm wordt de grootheid van God in een lied - in drie keer drie verzen - naar voren gebracht, zowel in de natuur als in de werken van mensen. De eerste drie gaan over het geweld dat de natuur teweeg kan brengen, maar de mens hoeft niet bang te zijn omdat God een toevlucht is, kracht geeft en redt in de nood. Het tweede drietal gaat over de stad Gods, Jeruzalem.
Er loopt een rivier door de stad, die uitmondt in beekjes en God is zelf in de stad en daarom zal de stad niet vallen. God zal bij een aanval te hulp snellen en dan lijkt de aarde te vergaan en volkeren zullen sidderen en koninkrijken wankelen. Dat er een rivier door de stad stroomt is een toekomstbeeld want in werkelijkheid is er alleen een bron die de stad van water voorziet.
Dit toekomstbeeld wordt uitgebreid besproken door de profeet Ezechiël (47:1-12) en ook genoemd door de profeten Joël (4:18) en Amos (9:13-15) als beelden van de eindtijd. In het Nieuw Testament wordt dit ook nog eens herhaald (Openbaringen 22:1-2). Het derde drietal verzen gaat over
de activiteiten van mensen en hoe God daar een rol in speelt.
De dichter begint met te zeggen: kom en zie welke ontzettende dingen de ENE op aarde heeft gedaan (W, NBV, NB), de aarde verwoestend (S,NBG) en oorlogen heeft aangericht (GN).
Deze vertaler heeft zich waarschijnlijk laten inspireren op de volgende verzen (10 en 11), waarin de macht van de ENE wordt gedemonstreerd, die de oorlogen stopt, de bogen breekt, de lansen verbrijzelt en de strijdwagens verbrandt. Als we dat nog eens mochten meemaken, het stoppen van oorlogen en geweld. Wordt hier door de dichter een utopisch beeld geschetst?
Het laatste tweetal van drie verzen wordt afgesloten met dezelfde woorden: De HEER van de hemelse machten is met ons, onze burcht is de God van Jakob. De Willibrord vertaling voegt die ook toe aan het eerste drietal, alhoewel dat niet in de oorspronkelijke tekst voorkomt.
Piet Beishuizen
- Leestijd: 1 minuut
