Psalm 41
Psalm 41
De dichter van deze psalm begint met het schetsen van een leven van een mens, die acht slaat op de zwakke in de samenleving. God zal hem dan ook
beschermen en gelukkig maken en niet overleveren aan zijn vijanden. Zelfs op zijn ziekbed zal de ENE hem nabij zijn.
Dan in vers 5 gaat de dichter over naar zijn eigen situatie. Op zijn ziekbed zegt hij dat hij tekort is geschoten en vraagt hij God hem genadig te zijn. Vervolgens schetst hij hoe zijn vijanden ( zij die hem niet goed gezind zijn) zich afvragen wanneer hij zal sterven en zijn naam zal worden uitgewist. En degene die hem nog opzoekt is een huichelaar, spreekt mooie woorden, maar eenmaal buiten, spreekt hij kwaad over mij. Een dodelijke kwaal heeft hem geveld en hij zal niet meer opstaan. Zelfs zijn beste vriend, met wie hij het brood deelde, laat hem in de steek.
Na deze opsomming van dingen die hem worden aangedaan (vers 11) vraagt hij God nogmaals om genade, hem te helpen op te staan en om zijn hem vijanden er van langs te geven. Hij wil dus het kwaad dat hem is aangedaan met behulp van God vergelden. En als ze dat voelen, zullen ze weten dat God van hem houdt. Zag hij zich eerder als een schuldig mens (5), na zijn actie tegen zijn vijanden ziet hij zichzelf als onschuldig en vraagt hij God dat hij voor goed in zijn nabijheid mag verblijven.
De psalm verhaalt hier dat kwaad met kwaad wordt vergolden en dat degene die het laatste kwaad doet onschuldig zou zijn. Het doet mij denken aan de
Israël – Gaza situatie, waarbij de proportionaliteit mijn inziens volkomen zoek is en waarbij ik de staat Israël niet als onschuldig zou willen
zien.
De psalm sluit af met een lofprijzing die aan het eind van elke groep van psalmen is opgenomen; psalm 41 is de laatste van de eerste groep (1-41). Deze indeling is later gemaakt aan de hand van dezelfde lofprijzing.
Piet Beishuizen
- Leestijd: 1 minuut
