Levensadem

Met het feest van Pinksteren verbinden de meesten van ons onwillekeurig het bekende verhaal over de uitstorting van de Geest uit Handelingen 2, met in de hoofdrol wind en vuur en spreken in vreemde talen. Het verhaal dat vertelt: de Geest van God neemt de mensen voor zich in, laat hen de angst overwinnen, doet hen dingen wagen en maakt dat mensen zich met elkaar verbinden over alle grenzen heen. Dat kan nu, want de bedoelingen van God zijn nu thuis in de harten van de mensen, niet meer alleen in de persoon en het handelen van Jezus.

In het Johannesevangelie staat ook een Pinksterverhaal, en dat krijgt meestal veel minder aandacht. Misschien omdat het maar een paar regels omvat. Misschien ook omdat we met Pinksteren als vanzelf op beweging en dynamiek zijn geprogrammeerd en de stille en rustige gebeurtenissen gauw over het hoofd zien. Misschien ook omdat in het Johannesevangelie Pasen en Pinksteren samenvallen en op één en dezelfde dag lijken te gebeuren - en wij vieren het toch graag allebei, nietwaar? We vinden beide feesten belangrijk genoeg voor twee feestdagen.
In het Pinksterverhaal in het Johannesevangelie speelt de wind alleen binnenskamers een rol. In Johannes 20,22 staat dat Jezus zijn leerlingen aanblaast: "ontvangt heilige Geest". Dat is veel minder spectaculair. Maar daarmee is wel de verbinding gelegd met de adem van God van het begin van de schepping, de plek waar er voor het eerst sprake was van die Geest van God die met Pinksteren zo vaak wordt genoemd. God blaast de mens de levensadem in. Het is goed om je met Pinksteren te realiseren dat in de Bijbel de woorden adem, wind, geest - allen door één woord worden aangeduid. De Geest van Pinksteren is ook de levensadem, de kracht die God in mensen heeft gelegd, de kracht die je leven en denken laat.

In de meditatiegroep maken we ons dat regelmatig bewust, als we stilstaan bij het fenomeen van de adem. Het is geen toeval dat wij mensen wezens zijn die steeds in- en uitademen. Het is de manier waarop we deelnemen aan het ritme van het leven, geven en nemen, aanreiken en opeisen, ruimte geven en ruimte innemen. Met elke ademtocht vertrouwen we ons eigenlijk opnieuw toe aan de schepping, en maken ons onze kwetsbaarheid bewust. Elke minuut zijn we afhankelijk van de lucht die er is, en we kunnen die zelf niet maken. Als je de tijd neemt om je adem te observeren (niet te veranderen, alleen te observeren) kan je duidelijk worden dat het een kracht in je is; niet iets dat je doet, maar iets dat in je gebeurt, iets bovenmenselijks, iets goddelijks. Iets dat je overkomt, net als de Geest in Handelingen 2.

Dat ik nu met Pinksteren weer aan de adem moet denken, komt doordat ik onlangs luisterde naar een lezing van Richard Rohr, een fraciscaan die veel heeft geschreven over spiritualiteit. Hij wees er op dat je voor het uitspreken van de Godsnaam in het Hebreeuws, jhwh, je tong en je lippen niet gebruikt. Dus: het uitspreken van de godsnaam is eigenlijk geen spreken, maar ademen. Dit vind ik een interessante ontdekking. Al valt er ook wel weer wat op af te dingen. Want volgens Genesis 2, 7 blies God de mens de levensadem in de neus - en niet in de mond. De mond hoort bij het spijsverteringssysteem, niet bij het ademhalingsstelsel, zeggen de ademtherapeuten. Alleen in geval van nood...
Denk met Pinksteren dus niet alleen aan de windvlaag van buiten maar ook aan de levensadem binnen. Zing niet alleen over de "Geest van hierboven" (675) maar ook "Gij schenkt de levensadem, gij geeft de levensgeest" (713). Bid niet alleen om vuur, maar ook, zoals bv. Huub Oosterhuis: "Hierheen, Adem, steek mij aan...!" Heb aandacht niet alleen voor dynamiek, maar ook voor symboliek.

Jan-Hendrik Kip