Overvraagd

De woorden die ik voor vorig jaar december schreef zou ik hier zó kunnen herhalen, en dat had ik een jaar geleden niet gedacht. Over een lied van Jochen Klepper ging het, over leven in duisternis en verlangen naar licht. Tegen de toenmalige verwachtingen in moeten we opnieuw, of eigenlijk: nog steeds, rekening houden met een gevaarlijk virus. En we verlangen ernaar dat het ophoudt, dat het over is. Of wat verwachten we nog? Het virus zal nooit meer helemaal verdwijnen, dat lijkt duidelijk. Wat mogen, wat durven we dan nog verwachten? We ervaren dat we leven in een soort van donker, en we verlangen naar de morgen. Dat is eigenlijk nu niet anders dan een jaar geleden, toen er nog geen vaccins waren. We dachten met de komst van de vaccins het licht aan het eind van de tunnel te zien, toch? Maar we zijn er nog niet. Advent. Verwachten en verlangen. We willen weg uit de situatie waarin we moeten leven, we verlangen naar andere omstandigheden. We verlangen naar anders, beter, ruimer, mooier, gezelliger. We zouden deze episode achter ons willen kunnen laten.

Maar we gaan dus de tweede advents- en kersttijd in pandemie-tijd beleven. Het lijkt er op dat we voor het verwachten ondertussen het geduld niet meer goed op kunnen brengen. Het verwachten lijkt soms in bevechten over te zijn gegaan in al wat er speelt rond gevaccineerd of ongevaccineerd en de gevolgen daarvan. Wat mogen we van elkaar verwachten aan verantwoordelijkheid? De sfeer in de samenleving wordt grimmiger. De een verwijt de ander gebrek aan solidariteit, de ander voelt zich beperkt in zijn autonomie. De verschillen in de inschatting van het gevaar drijft ons uit elkaar en maakt het moeilijk om begrip op te brengen. De druk is hoog, want de ziekenhuizen kunnen het eigenlijk niet meer aan. Discussie, speelruimte is een luxe goed geworden in de communicatie. Terecht, vindt de een; ten onrechte, meent de ander. Onze samenleving lijkt structureel overvraagd om met het virus om te gaan.

In deze tijd, op weg naar kerst, probeer ik troost te putten uit de gedachte dat de wereld waarin Jezus terecht kwam er ook een van hoge sociale druk en tegenstellingen was. Het land was dan wel niet in de greep van een virus, maar wel in de greep van de bezettende macht, de Romeinen. Dat zorgde voor soms onmenselijke omstandigheden. Over de noodzaak tot verzet en opstand was men het niet eens, en de speelruimte die men elkaar gunde was beperkt. De wegen van de mensen gingen ook toen door woestijn en duisternis. In meerdere of mindere mate is dat misschien altijd wel zo: kerst doelt er op dat we ons realiseren dat God midden in het donker van de mensen een plek kiest: daar ben ik dan! Midden in wat mensen overkomt en waarmee ze moeten leven. Niet een god die vanuit een afstand toekijkt hoe de mensen de wereld gestalte geven - of te gronde richten. Gaat deel van de duisternis uitmaken en spreekt over licht en hoop.

En Jezus, van wie we straks de geboorte weer vieren, zou in zijn leven nog in veel donkere situaties laten zien dat hij in die goddelijke levenskracht geloofde die licht in het donker brengt. En de uitdaging, toen en nu, is, het licht te willen zien, en je niet door het duister gevangen te laten nemen. Jezus Christus is het licht van God.

Jan-Hendrik Kip