Verlangen

Het virus dat onze omgang met elkaar nu al meer dan een jaar bepaalt houdt ons niet alleen in allerlei opzichten gevangen maar brengt ook dingen aan het licht. Bijvoorbeeld hoe lang vantevoren veel tv-programma's worden opgenomen. Tot voor kort verschenen nog veel programma's waar heel veel publiek dicht op elkaar zat. Of waar mensen elkaar een hand geven als ze elkaar ontmoeten. Er meldt zich dan meteen een reflex bij me: dit kan niet, dit mag niet, hebben ze niet gehoord van corona. Die reflex hebben de programmamakers natuurlijk ook zien aankomen en er verschijnt dan meestal een tekst in beeld met de verklaring dat het programma vóór de uitbraak van de corona-pandemie opgenomen is. Tussen opname en uitzending zit dus vaak een half of zelfs driekwart jaar,viel me op. Als de reflex voorbij is, maakt die bij mij meestal plaats voor een soort verlangen. Dat het weer wordt zoals het was. Dat het andersom gaat en dat we zeggen: o, kijk, dat was toen, in de tijd van het virus, wat raar! Niet dat ik zoveel tv kijk. Maar wat zou ik graag willen dat we ons weer anders tot elkaar kunnen verhouden. Tegelijk is er ook het besef: dat kan niet zomaar. We gaan nooit in één ogenblijk terug naar de onbevangenheid die ooit gewoon was. We zullen iets weer moeten leren, of iets overwinnen. Hoe zal de overgang zijn, als de mogelijkheid daartoe in zicht komt?


Dit verlangen kom ik de laatste tijd vaak tegen bij het voorbereiden van een kerkdienst. Ik verdiep me in een bijbeltekst voor de komende zondag en ga op gegeven moment nakijken of ik daar ooit eerder iets zinnigs over heb gezegd. Niet zelden beland ik dan in een kerkdienst van lang geleden waarin ook het avondmaal gevierd is. Ik loop de teksten na, zuig de gebeden in me op en voel met de minuut meer van het gemis, en van het verlangen naar het delen van brood en wijn, met mensen die als een gemeenschap bij elkaar zijn. En ik voel de pijn als ik me realiseer hoelang dat al geleden is, en ik kan me al bijna niet meer voorstellen dat dat ooit gewoon is geweest: brood dat door een ander is aangeraakt toch opeten. Gaan we ooit nog weer allen uit één beker drinken?
Soms zoek ik naar muziek op youtube. U weet hoe het werkt: wat je hebt aangeklikt, daar krijg je meer van aangeboden. Mijn nieuwsgierigheid maakt dat ik dan wel eens verdwaal in dingen die ik niet echt heb gezocht. De laatste tijd gebeurt het vaker dat ik mezelf ineens aantref, luisterend naar kundig orgelspel op machtige kerkorgels met veel manualen, en samenzang van de oude vertrouwde melodieën, gezongen in volle kerken en uit volle borst. Voor gewoon is dat niet het soort muziek dat mijn eerste voorkeur heeft. Maar nu komt dit allemaal tot mij alsof het een met veel sentimenten omgeven jeugdherinnering is. Eigenlijk weet ik niet goed of het genot voor me is of een soort kwelling. Mensen die met velen zingen in de kerk, het is er al lang niet meer, en als ik luister voel ik de pijn van het gemis. En verlang naar het geluid van vele zangstemmen in de kerk. Ik had nooit gedacht van mezelf, dat ik zou verlangen naar iets wat altijd gewoon was. Blijkbaar heb ik de waarde ervan nooit gepeild. Van dingen die gewoon zijn ken je de waarde vaak niet, zo is het toch?
Zou de dichter van psalm 84 een zelfde soort verlangen hebben gekend? Zou deze dichter wél de gewone uitingen van de ontmoeting van God en mensen in het heiligdom op waarde hebben geschat, als hij schrijft of zingt: "Hoe lieflijk, hoe goed is mij, Heer, het huis waar Gij uw naam en eer hebt laten wonen bij de mensen. Hoe brand ik van verlangen om te komen in uw heiligdom"? Ik kan wel zeggen dat ik deze psalm met andere ogen bekijk sinds de pandemie de kerkdiensten tot het minimale heeft gereduceerd. Wat nu waardering verdient is de techniek van het uitzenden.
Wie over het virus schrijft loopt gevaar snel te worden ingehaald door de ontwikkeling van de feiten. Ik weet dus niet hoe het gesteld zal zijn met kerkdiensten en gemeenschap op het moment dat dit blad op uw deurmat valt. Maar ik hoop van harte dat wij allen een goede manier zullen kunnen vinden om, zie couplet 3, uit zijn kracht te leven, ook zolang we ons nog niet van overal naar kerk (of tempel) kunnen begeven. En dat we de mildheid van de Eeuwige toch kunnen waarnemen, ook zolang we ons nog moeten inhouden en het dus nog door het dorre dal gaat.

Jan-Hendrik Kip