Lange nacht

December is de maand die voor het grootste gedeelte uit Advent bestaat, liturgisch gezien. Dat is ook zo, wanneer, zoals dit jaar, de advent al in de maand november begint. Bijna aangekomen in de laatste maand van het jaar vraag ik me af wat de advent van 2020 anders maakt dan advent in andere jaren.

Advent is de tijd van verwachten en verlangen, en als ik het goed zie is dat verwachten en verlangen bij veel mensen nu intenser dan anders, of raakt het diepere lagen. Want ons verlangen en verwachten wordt nu gekleurd door het besef in een crisistijd te leven. Het virus heeft invloed op alle facetten van het samenleven, en we verlangen ernaar dat dit een einde heeft. Er gaan bedrijven failliet, er zijn mensen die heel eenzaam aan het worden zijn, en daarbij op zichzelf terug zijn geworpen. Het virus en alle maatregelen er omheen lijken er ook voor te zorgen dat mensen minder van elkaar kunnen hebben. En er zijn mensen gestorven, al dan niet aan het virus, en het afscheid is uitermate onbevredigend geweest. Bijna alle dingen die mensen met elkaar (horen te) doen, kunnen niet. Zo willen we niet langer leven. We verlangen naar een einde van deze situatie. We ervaren duisternis, en we verlangen naar de morgen, in adventstermen gesproken.

Het brengt me bij een adventslied dat ook erg veel donker in zich heeft, qua tekst en melodie. Liedboek 445, de tekst is van Jochen Klepper, en 11 december is zijn gedenkdag, een dag die altijd in de adventstijd valt, dat kan niet anders. Een lied dat het heeft over de lange nacht, de zwarte nacht (niet de zware, dat is een drukfout in de oudere uitgaven van het Liedboek), over duisternis, bitterheid en pijn. Toch maakt de dichter in elk van de vier coupletten een beweging. Elk couplet start in de eerste regels met nacht en donker, en komt in de laatste twee regels altijd uit bij luister en licht. Het lied is geïnspireerd door Romeinen 13, 12: De nacht loopt ten einde, de dag nadert al. Daardoor staat het in ons Liedboek bij de adventsliederen, Jochen Klepper schreef het als kerstlied. In het origineel zijn er vijf coupletten, de Nederlandse vertaling geeft de oorspronkelijke tekst niet helemaal weer en mengt twee coupletten tot één.
Jochen Klepper, theoloog, journalist en dichter, had veel te lijden onder de gruweldaden van het nazi-regime. Hij was getrouwd met een joodse vrouw. Toen de deportatie van zijn vrouw en dochter er aan kwam koos hij met zijn gezin vrijwillig voor de dood, op 11 december dus, in 1942, 39 jaar oud.

Er zijn, zo hoor ik in een praatprogramma op de Duitse radio, in dit jaar veel meer psychische aandoeningen, vooral meer depressies. Hoe kan dat, is de vraag, en wat is er aan te doen? Ja, corona natuurlijk, maar ook aanleg speelt vaak en rol. Dit zegt een psychologe en roept op om vooral positief te blijven en aan jezelf te werken, je kunt er wat aan doen. Je kunt er wat aan doen, zegt ook een Pilates-trainer in het programma. Je kunt je geest trainen en sterk maken zoals je ook je spieren kunt trainen. De theologe in de ronde laat een ander geluid horen. Geen peptalk, maar: loslaten. Bidden en rekening houden met God. Vertrouwen dat hij/zij er is en de crisis-situatie aan God overdragen. Dat lucht op, zegt zij, en zij vindt dat ook niet-gelovige mensen deze stap kunnen zetten, al zullen die de term God niet zo willen gebruiken. Ik vind het wel wat hebben, dat loslaten en toevertrouwen, in plaats van: doe wat aan jezelf. Hoe is dat bij u?

Niet dat het makkelijk is. Het blijft voorlopig nog verlangen naar een tijd zonder corona, we zijn er nog niet. Maar: advent is vanuit het donker roepen om licht. Of, om in de lijn van Jochen Klepper te blijven: de nacht vraagt om de morgen, het betekent al licht in onze ziel als we veel van God verwachten en ons voor hem openen. En we krijgen al moed enkel door hartstochtelijk op hem/haar te vertrouwen. We beschikken niet over het licht, maar het straalt wel, al is het over onze angst en pijn.

Jan-Hendrik Kip