Behelpen

De kerk is nog nooit zoveel in het nieuws geweest dan nu ze haar gang niet goed kan gaan, in corona-tijd. De blik van de media is daarbij vooral op de mogelijkheden en onmogelijkheden rond kerkdiensten gericht. Dat is ook de meest in het oog springende publieke activiteit van de kerk. En ik ben heel blij mét en dankbaar vóór de mensen die de online-kerkdiensten keer op keer weten te verbeteren; het lot van de kerk ligt tegenwoordig voor een groot deel in de handen van de technische mensen. En ik kijk in een camera die ver weg staat, achter in de zaal, en probeer me te realiseren dat achter dat zwarte gat honderd mensen zitten te kijken, maar ik zie geen reacties op gezichten of in de houding van mensen. Ik merk dat ik iets heel vanzelfsprekends heel erg mis: het persoonlijk contact. En dan vooral: het kijken naar en reageren op een gezicht. Reactie, respons. Eigenlijk realiseer ik me pas sinds de corona-maatregelen goed hoe essentieel dit is voor het werk wat ik doe, en ook voor het plezier wat ik daarin beleef.

De telefoon is sinds meer dan drie maanden het meest gebruikte instrument in mijn dagelijkse werk (nou ja, na de computer dan). Het is overdreven om te zeggen dat hij roodgloeiend staat, maar het valt me op dat het toestel, als ik het oppak, vaak nog warm is. Het is natuurlijk fijn dat je op die manier contact kan hebben, maar het legt ook het basale gemis pijnlijk bloot: de omgang met de sublieme aspecten van de communicatie, de non-verbale kant van een gesprek. Een onverwacht opduikende emotie, een lichaam dat zich schrap zet, een blik die bedenkingen uitdrukt - ik zie het allemaal niet. En of ik het hoor? Valt er een stilte in het gesprek en ik heb daarbij een gezicht voor me, weet ik ongeveer waarmee die stilte gevuld is. Maar als ik er geen gezicht bij heb, weet ik vaak niet wat er aan de andere kant gebeurt.
In de afgelopen weken heb ik vaak moeten denken aan een gedicht van wijlen Okke Jager (hij was een van mijn docenten tijdens de studie theologie) 'telefoon-gesprek' uit 1979:

Ik zie mijn woorden niet bij hen belanden,
zij zeggen a en kijken b erbij,
ik houd alleen mijn eigen hand in handen,
en zie daarin wat ik ze weer niet zei.

Ik kan tussen de regels door niet lezen
ik heb ze met hun woorden aan de lijn,
doen ze het om niet zo alleen te wezen
of om pas werkelijk alleen te zijn?

Hoe meet ik de afstand van hun mond en ogen?
Zij horen niet wat ik verstopt verkrop.
Ik zie ze recht staan en ze staan gebogen,
ik zie ze buigen en ze staan rechtop.

Ik maak wel vaker met een mens een praatje,
maar blijf dan op mijn eigen voeten staan,
een juffrouw knoopt een draadje aan een draadje,
waar haalt ze mij en dan het recht vandaan?

Zij zijn bedriegers die ik heb bedrogen,
wat de muziek maakt is maar niet de toon.
Mijn oren zijn bevriend met mijn twee ogen
en daarom haat ik elke telefoon.

Zoals gezegd: ik ben blij met het medium telefoon, ik haat het niet. Van bedriegen lijkt me ook geen sprake, iedereen heeft de beste bedoelingen. Maar ik mis wel iets essentieels.
Maar - dan moet je toch blij zijn met video-bellen en online-vergaderingen, waar we nu ongewild allen bedreven in raken, zult u misschien zeggen. Ja, daar zit wat in, want je kunt elkaar zien, dat is het grote verschil met de tijd van Okke Jager, toen was er nog geen internet. Maar ik vind het vermoeiend en soms ook irritant. Er wordt vaak door elkaar heen gepraat en de verleiding is om in te gaan op wie het hardst praat. Er wordt ook door elkaar gezwegen - en wat betekent dat dan? Onderwerp klaar of verlegenheid alom? Snelle bewegingen komen vertraagd over. Beeld en geluid loopt niet altijd synchroon. Ook hier is de non-verbale communicatie vertekend, het lezen van onuitgesproken bedoelingen of gewaarwordingen is lastig. We reageren wel op elkaars woorden, maar niet op elkaars gezichtsuitdrukking en dat maakt het vermoeiend, want wij mensen zijn er op aangelegd om dat wel te doen. Soms bemerk ik bij iemand een reactie maar ga daar niet op in - in het gewone leven had ik dat wel gedaan.

Met ingang van de maand juli zullen er in het Kruispunt, en in de Protestantse Kerk in Heeze, weer mondjesmaat mensen in de kerk aanwezig zijn, zij het met heel veel beperkingen - en tegelijkertijd een vorm van online-uitzending voor wie thuis wil of moet blijven, of achter het net vist omdat de beschikbare plaatsen al volgeboekt zijn. Reserveren voor een plek in de kerk - het is behelpen. Maar je ziet elkaar tenminste weer.

"De bloemenwinkel is weer open" zegt Marion die net terug komt van boodschappen terwijl ik deze regels schrijf, "maar ze hebben niet veel meer". Nee, natuurlijk, ze moeten vooral afstand scheppen, ruimte voor de klant - en die is dan niet meer beschikbaar voor bloemen. In een flits dacht ik: zo is het met de kerk ook. We zijn weer open maar we hebben niet veel meer. We hebben wel de goede woorden van het evangelie van Gods onvoorwaardelijke liefde, we kunnen elkaars gezichten zien als we in elkaars buurt komen, en laten we er dankbaar voor zijn en het op waarde schatten. Maar we missen ook heel veel: de ontmoeting bij de koffie, de warmte van een handdruk, de arm om je schouder, het doorgeven en breken en delen, de lijfelijkheid. Eigenlijk kunnen we helemaal niet zonder. Het is behelpen.

Jan-Hendrik Kip