Afhankelijkheid

En toen stond ons hele leven op de kop. Géén kerkdiensten meer. Géén vergaderingen. Niet meer op bezoek gaan, geen bezoek ontvangen. De maatregelen in verband met het coronavirus zijn ingrijpend. Voor iedereen in ons land, en daarmee ook voor ons als gemeente van Christus.

De samenkomst op zondagmorgen, dat is toch het hart van ons gemeente zijn, wat een gemis dat dat niet meer mag. Op bezoek gaan, de ontmoeting van aangezicht tot aangezicht, die is toch van onschatbare waarde. Het mag niet meer. Als je geluk hebt even een gesprekje op anderhalve meter afstand bij de supermarkt. Ieder doet zijn of haar best om op allerlei manieren toch verbindingen tot stand te brengen, toch de blijde boodschap uit te dragen. Via de techniek, livestream, computer, televisie gebeurt er heel veel. Diensten worden opgenomen en later uitgezonden, of het gaat via de livestream. Dominees staan voor een lege kerk en kijken niet naar mensen die voor hen zitten, maar kijken in de lens van een camera. Gesprekken kunnen ook via de telefoon of via de computer, vergaderd wordt er met Zoom. Zo goed en zo kwaad als het gaat, blijven we ons best doen.

Maar wat is het vreemd om te moeten ervaren, dat zó veel dat we altijd logisch en vanzelfsprekend hebben gevonden, nu niet meer kan. In korte tijd is er heel veel veranderd. We dachten dat we ons leven in eigen hand hadden, we dachten dat we alles onder controle hadden, maar dan komt daar dat virus, dat ons leven op eens overneemt. We dachten dat ons leven maakbaar was, dat we zelf konden bepalen hoe we ons leven inrichten, en zelf onze eigen beslissingen konden nemen. We zijn nu opeens afhankelijk van de beslissingen die de overheid neemt. We voelen hoe het is om te moeten gehoorzamen. We moeten de richtlijnen van de overheid volgen. En dat kan wringen.

Autonomie en zelfbeschikking.
Doen wat je zelf wilt. Je niets van een ander aantrekken. Dat is nu op eens onderuit gehaald. We moeten doen wat de overheid wil. Het gevaar voor besmetting bepaalt ons leven. We zijn afhankelijk van hoe het virus zich verder ontwikkelt. We dachten dat we onafhankelijk waren, en dat zelf over ons eigen leven konden beslissen. Dat blijkt opeens anders. Wij beginnen iedere kerkdienst met de woorden uit psalm 124:8, “Onze hulp is in de naam van de Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft”. Die woorden klinken zó vaak, dat we misschien niet eens meer stilstaan bij hun betekenis. Als wij zeggen “onze hulp is in de naam van de Heer”, dan verklaren wij ons zelf daar mee afhankelijk. We zeggen dat we afhankelijk zijn van God. Dat onze hulp niet uit ons zelf komt, maar dat die van God komt. We beginnen een kerkdienst met te zeggen, dat we ons overgeven aan datgene wat God met ons vóórheeft, aan Gods bedoeling.
We zeggen in feite, wij kunnen het niet zelf, we hebben hulp nodig. Hoe helder en duidelijk komt die boodschap in deze coronatijd bij ons binnen. Moed om het vol te houden, moed om die sociale afstand vol te houden, moed om alleen in huis te zijn, en het uit te houden in de isolatie. De eenzaamheid in het verpleeghuis.

Wij kunnen dat niet alleen. Wij hebben daarvoor hulp nodig. Wij zijn daarvoor afhankelijk van God. Hoe is het voor ons, om ons aan die hulp toe te vertrouwen, om ons over te geven, in de handen van God? Afhankelijk zijn van God betekent, dat wij mensenkinderen zijn. Mensen met littekens, met fouten en verdriet. Kind zijn van God, dat is een troost. Gedragen worden door Gods liefdevolle handen.

Mirjam van Nie