Doopnamen

In deze tijd voor Pasen en met Pasen zelf staat het boek Exodus op het rooster. Op de eerste zondag van de veertigdagen tijd ging het over Mozes bij de brandende doornstruik en over de beproeving in de woestijn. Op de zondagen daarna gaat het over de plagen, de moeite van het volk, en de pogingen van Mozes en Aäron om tot de farao door te dringen. Met Pasen gaat het over de uittocht, de doortocht door het water van de Rode Zee, de bevrijding uit Egypte.

Het woord “Exodus” betekent “uittocht”. Het is een Grieks woord en komt uit de Griekse vertaling van het Oude Testament. In het Hebreeuws is de titel van het boek hetzelfde als de eerste verzen, namelijk “dit zijn de namen”. Namen spelen een belangrijke rol in dit boek. De namen van al de zonen van Jozef worden genoemd. Het zijn niet een stelletje anonieme slaven, die daar aan het werk zijn, maar al hun namen zijn bekend. Als een mens een naam heeft, krijgt die mens een gezicht en een geschiedenis. Wij kunnen spreken over vluchtelingen, over buitenlanders, die ons land binnen komen. Het is makkelijk om die af te doen als een anonieme massa die ons bedreigt. Maar als we mensen bij hun naam kennen, dan horen we ook hun verhaal, dan zijn we betrokken en dan kijken we er heel anders tegen aan. Lily en Howick bijvoorbeeld. Die twee kinderen van Armeense afkomst dreigden uitgezet te worden. Maar hun namen werden bekend, ze kregen een gezicht en een verhaal. En toen gingen vele stemmen op om ze in ons land te laten blijven. Zo zijn er nog meer voorbeelden te noemen.

Als het volk Israël bevrijd wordt uit het slavenhuis, dan worden ze geleid naar de oevers van de Rode Zee. Als de farao met zijn wagens en paarden erachter komt, gaat de zee uiteen en kunnen ze op het droge naar de overkant lopen. Als ze aan de overkant zijn, komen de farao en zijn wagens en paarden erachter aan, maar de zee gaat weer terug en ze gaan ten onder in het water. Het volk gaat door het water heen en mag eruit bovenkomen. Een doortocht door het water, een bevrijding uit het slavenhuis. Het nieuwe leven tegemoet. Zoals met Pasen, de omklemming van het graf, geopend wordt en er bevrijding is naar het nieuwe leven toe.

In de vroege kerk is er verband gelegd tussen de doortocht van het volk Israël door het water en het sacrament van de doop. De doop gaat gepaard met water. In onze kerk is het geen onderdompeling, maar alleen water op het hoofd van de dopeling. Maar het teken van de doop staat voor boven komen uit het water. Boven komen uit de beknelling van wat verkeerd is in een mensenleven, boven komen en bevrijd worden om een nieuw leven te beginnen. In de vroege kerk werd er in de nacht voor Pasen gedoopt. In vieringen op de zaterdag voor Pasen is er een doopgedachtenis. Die doopgedachtenis kan op verschillende manieren vorm krijgen. Er wordt water in het doopvont gegoten en daarbij woorden gesproken. Wat ook gebeurt is dat ieder gemeentelid naar voren komt en bij het doopvont de eigen doopnaam of doopnamen noemt. Want dat zijn de twee essentiële zaken bij dopen. Het water en het noemen van de naam. De naam van de dopeling wordt verbonden met de naam van God. Voor God mogen wij een naam hebben. En met die naam hebben wij een gezicht en een geschiedenis. God kent ons en noemt ons bij onze naam. In de tuin van Pasen noemt Jezus Maria bij haar naam en dan herkent ze Hem. Doortocht door het water, bevrijding uit de omknelling van de anonimiteit, de naamloosheid. Wij mensen mogen een naam hebben, mogen elkaar kennen en herkennen, als medemens, als naaste. Wij mogen elkaar bij de naam noemen. Wij wensen elkaar gezegende Paastijd.

Mirjam van Nie