Psalm 116

Na het statement te hebben afgegeven dat de dichter God liefheeft en dat hij hem hoort, vraagt de dichter God om hulp omdat hij in grote angst zit en vraagt om zijn leven te redden. En dan vervolgt hij met de stelling dat God genadig en rechtvaardig is en vol ontferming; hij zal bevrijding schenken, omdat de dichter niets meer kan. Hij geeft zich over aan God.

Hij zegt tegen zichzelf: keer terug naar de rust, want God is goed geweest voor je. Ja, hij heeft je van de dood gered, je tranen gedroogd en je voor struikelen behoed. En daarom mag je weer wandelen voor Gods aangezicht. Het is alsof de dichter wil zeggen: ’wat wil je nog meer’. En toch wil hij nog wel even aangeven dat hij, ondanks zijn vertrouwen op God, toch wel in de put zit. Maar hij kijkt ook naar zichzelf, wanneer hij te snel oordeelt en zegt dat heel het mensdom bedrog is.
Dan, in vers 12, vraagt de dichter zich af hoe hij zijn dankbaarheid kan tonen voor datgene dat God heeft gedaan voor hem; hij heft de beker voor de bevrijding op en roept de naam van God aan. In vers 17 wordt het dankzeggen en aanroepen nog eens herhaald. Ook tweemaal, in de verzen 14 en 18, zegt hij dat hij zijn geloften zal volbrengen ten overstaan van het volk. Wat die beloften zijn - van dankbaarheid neem ik aan – worden niet genoemd. De dankzegging ten overstaan van het volk wordt gedaan in de voorhof van de tempel (19).

Vers 15 is hier een wat vreemd vers ‘Kostbaar in de ogen van God is de dood van zijn gunstgenoten’. Het is de enige plaats waar dit voorkomt; op vele andere plaatsen wordt steeds gezegd dat God goed is voor zijn gunstgenoten, zijn gunstgenoten zal bewaren, enz. Na deze ontboezeming van de dichter vervolgt hij in vers 16 dat hij een dienstknecht is, dat hij dat nog eens herhaalt en ook nog aangeeft dat zijn moeder ook een dienstmaagd is van God en God heeft hem uit de boeien gehaald. Beide verzen komen in de lofprijzing (12-19) bij mij wat vreemd over.
Psalm 116 sluit af met de lofprijzing ‘Eer aan de Heer’ een liturgisch element dat kenmerkend is voor de z.g. 15 Halleluja psalmen. Zij worden gezongen op de grote feestdagen en bij de Pesach maaltijd.

Piet Beishuizen