Psalm 38

Deze psalm is één van de 7 boetpsalmen die de christelijke liturgie kent voor tijden van rouw; de andere zijn: 6, 32, 51, 102,130 en 143. In de eerste negen verzen beschrijft de dichter de bizarre situatie waarin hij verkeert. Zowel zijn lichamelijke als geestelijke vermogens staan zwaar onder druk en dat alles vanwege zijn zonden. Welke dat zijn, wordt niet vermeld. Hij is ten einde raad en heeft heel wat verzen nodig om dat te vertellen. Leest u het maar eens na. Wel is verwonderlijk dat hij begint met te vragen of God niet vertoornd wil zijn en hem niet te straffen, want in de volgende verzen gaat hij ervan uit dat het God is die hem dit aandoet. Je ervaart een tegenstrijdigheid tussen beide gedeelten. Als enige heeft de GN vertaling dit opgelost door aan het 2e vers toe te voegen: ‘straf mij niet langer’. Dit komt echter niet voor in de grondtekst.

De verzen 11 - 15 worden omlijst door vers 10 – Heer, mijn verlangen ligt voor u open – en vers 16 – want op u Heer, hoop ik. Vertelde de psalmist in de vorige verzen hoe slecht hij zich zelf voelde, in deze verzen vertelt hij hoe hij voelt hoe de wereld naar hem kijkt en wat die met hem doet. Zijn vrienden en die hem naast staan, blijven op een afstand en tonen geen medelijden met zijn situatie. Een verwijzing naar Job 19:13-15. En zijn vijanden spannen strikken om hem ten val te brengen en spreken ook nog lasterpraat over hem. En hij? Hij ondergaat dit alles als een dove en stomme en heeft geen antwoord hierop.
In zijn kreupele gang door het leven – smart overheerst – zegt (denkt) de dichter dat hij hoopt dat de vijanden maar niet om hem zullen lachen. En dan, vers 19, opnieuw maar weer zijn schuldbelijdenis en dat hij bekommerd is om zijn zonde. Hierover heeft hij al eerder verteld in vers 5. Omdat het woord in het enkelvoud staat, denk je aan een specifieke zonde, doch daar wordt niets over verteld. De NBV vertaling heeft daarom misschien vertaald ‘zonden’, zodat de vraag niet wordt opgeroepen. In de volgende verzen komen de vijanden weer prominent naar voren, die het weer goed hebben en hem haten. Het goede vergelden zij met het kwade, terwijl hij (de dichter) het goede najaagt. Voor het eerst in de psalm zegt hij, dat hij toch wel iets goeds wil, na de vele verzen over zijn zonden. Hij eindigt met de kreet, dat God hem niet wil verlaten en hem te hulp wil komen om hem te bevrijden.

Piet Beishuizen