Psalm 33

Deze psalm die de grote daden van God verkondigt, opent met een oproep van de dichter aan de rechtvaardigen en oprechten God lof toe te zingen begeleid door muziekinstrumenten (1-3).
Dan volgen twee verzen over de trouw van God, die gerechtigheid mint en de aarde vervult om vervolgens in vier verzen de schepping uit de chaos naar voren te brengen. Door zijn spreken schiep Hij de hemelen en door zijn adem de sterren. Het water werd ingedamd, zodat de aarde kon ontstaan, waarop ieder die daar woonde, God kon vrezen. En de dichter besluit hier met de woorden ‘Want hij zei, en het werd, hij gebood en het kwam tot stand’; de essentie van de relatie tussen God en de kosmos.

In vers 10 zet de dichter God wel erg stevig neer als hij schrijft dat God de plannen van volken te niet doet. Hij veronderstelt hiermee dat de plannen slechte plannen zijn, waarschijnlijk richting Israël. Hiertegenover stelt hij dat de plannen van God eeuwigheidsplannen zijn.
In vers 12 wordt de nauwe band tussen God en Israël weergegeven, namelijk als gezegd wordt dat God Israël als zijn erfdeel heeft uitgekozen (Deuteronomium 32:8-9). Maar in mijn optiek zou uit vers 12a ook de conclusie kunnen worden getrokken, dat elk volk dat de HEER als zijn God heeft, Gods volk kunnen zijn. In de verzen 13-15 ziet de dichter een nauwe band tussen God en de mensen. God slaat hen gade vanuit de hemel en doorgrondt al hun daden. Hij heeft hen immers geschapen en hun harten gevormd.

In de verzen 16 en 17 wordt weer eens door de psalmist betoogd dat strijdwagens en paarden (symbolen van een wereldmacht) geen garantie zijn voor een overwinning. Ditzelfde wordt gezegd in psalm 147:10 en in Hosea 1:7. Het gaat er om dat je op God vertrouwt, zo wordt gezegd in de volgende verzen (18-19). Hij zal je redden in gevaar en hongersnood. Dat het woord ‘hongersnood’ hier plotseling opduikt, zal verband houden met het feit dat dit vaak uitbrak na oorlogen en stropende benden van de vijand, door het land.
In de laatste drie verzen (20 – 22) van deze psalm komt het loflied uit het begin – ook drie verzen - weer terug. De verwachting op de komst van God wordt uitgesproken, want hij is het schild dat hen beschermt. Het hart vindt vreugde in God en bij zijn NAAM is het veilig. Schenk ons genade, zo zegt de dichter, want wij vertrouwen op u.

Piet Beishuizen