Psalm 104

Kenmerkend is dat de dichter in deze psalm een relatie ziet tussen God en de wereld zoals die zich aan hem voordoet. In een lange ode wil hij in deze psalm hiervan getuigen.
Het is een groots gedicht over de schepping, waarin de grote daden van God worden vermeld. God is in het licht; wij kunnen het licht zien, maar God niet, die in het licht is. Hij maakt de hemel tot een tent waarin wij kunnen wonen (Jesaja 40:22) en zijn opperzalen zoldert hij niet hoog in de hemel maar bij ons op de wateren. De dichter zou hiermee kunnen bedoelen dat God dicht bij is. Maar we kunnen deze tekst (3) ook lezen alsof God de opperzalen van zijn huis op de wateren van de hemel zoldert en daarmee ver van ons vandaan. Dan laat de dichter Gods aanwezigheid zien zich voortbewegend boven ons in de lucht met de wolken als zijn wagen en de wind als zijn wandelen. De wind is ook zijn bode en de bliksemschicht zijn dienaar. Hel lijkt er op alsof de dichter wil zeggen: God is de natuur of de natuur is God. Een gedachte die door de filosoof Spinoza is uitgewerkt. Maar het kan misschien ook worden uitgelegd alsof de dichter wil betogen dat er niet een God van de donder is of een God van het vuur of op de bergen, maar dat er een enig God is. God is EEN.

In de verzen 5-9 zou de dichter terug kunnen wijzen op de schepping, maar het zou ook kunnen slaan op de gebeurtenissen (de oervloed) ten tijde van Noach als we aandacht besteden aan vers 9 ‘nooit meer zal het water de aarde bedekken’. Via de noten (verwijzend naar andere psalmen en het Genesis verhaal) bij de vorige verzen zien de vertalers toch meer in een ode over de schepping. Hierbij worden de wateren als een kwaad gezien, die de aarde bedekte en door het dreigen van God daalde zodat de bergen naar boven kwamen (vers 8). Opmerkelijk is dat de NBV vertaling als enige niet de bergen laat verrijzen, maar het water naar de bergen stuurt. Een wat kromme vertaling lijkt mij omdat in vers 6 was aangegeven dat het water boven de bergen stond.
In het volgende tekstgedeelte (10-12) wordt het water dat naar de dalen wordt gezonden een bron van leven voor de dieren.
In de verzen 13-18 wordt het water uit de hemel als onmisbaar beschreven voor de aarde. Eerst dan de aarde vruchtbaar zijn voor het voedsel van de mens en het dier. Maar ook voor het vrolijke van de wijn die het hart verheugt en de olie die het gezicht doet stralen. De bomen worden verzadigd met het water zodat de vogels erin kunnen huizen. Alhoewel het er niet expliciet staat in vers 18 mag worden verondersteld dat het water er ook is voor de steenbokken en de klipdassen in de hoge bergen.
In de verzen 19-23 brengt de dichter de schepping van de licht elementen, de zon en de maan, en waarvoor ze dienen, naar voren. De zon voor de arbeid van de mens en de maan voor het voedsel van de dieren. Opmerkelijk hierbij is dat de dichter vertelt dat de dieren aan God om het voedsel vragen (21). Ik kan mij niet voor de geest halen wat hierbij bedoeld zou kunnen zijn.
Bijzonder is ook dat wordt gesteld dat de maan er is voor ‘gezette tijden’ (19). Voor de samenkomsten zegt de NB; de GN vertaling zegt voor ‘de feesten’. De dichter legt dus duidelijk een verband tussen de tijden en de maan en ook hier is de vraag wat is daarvan de reden, omdat in het scheppingsverhaal in Genesis, zowel zon als maan in relatie tot de tijden wordt gebracht.

Nadat de dichter in vers 24 in één adem de schepping in z’n geheel noemt, gaan de volgende twee verzen alleen over de zee, die wijds is en vol dieren en Leviathan, het zeemonster; de verpersoonlijking van de chaos. Een macht – die God geschapen heeft en er mee speelt (vers 26) – en waar God uiteindelijk mee afrekent (Jesaja 27:1). De vermelding van de Leviathan komt in meer psalmen voor en ook in het boek Job.
In de volgende verzen 27 en 28 gaat het weer over het voedsel en in 29 en 30 over het leven. In eerste instantie komen de beginwoorden van vers 27 over als slaand op het gedierte in de zee, doch lijkt dan weer strijdig met de latere verzen. Alleen de GN vertaling begint met de woorden ‘alle schepselen’ en dat sluit dan beter aan met het volgende.
Al datgene dat leeft is van God afhankelijk van het voedsel dat God geeft. De dichter ziet dus niet alleen het leven als van God gegeven, maar ook het kunnen blijven leven als van God afhankelijk. Als God zich terugtrekt ( 29) – zijn gelaat verbergt – worden de schepselen angstig en als Hij de adem van het schepsel onttrekt, sterft het en keert terug tot het stof. Hier tegenover staat het volgende vers; als God zijn adem schenkt – zijn geest – dan wordt het schepsel tot nieuw leven gewekt en wordt ook de aarde tot nieuw leven gewekt.

Na deze verzen is er de ontboezeming van de dichter dat de glorie van God en het verheugen van Hem in de schepping eeuwig zal duren, maar ook dat de aarde kan beven bij een aanraking van Hem (31 en 32). En hij vervolgt met het zeggen dat hij de lofzang gaande zal houden in zijn leven en zich zal verheugen in God (33 en 34). Opmerkelijk is dat de NBV vertaling als enige hieraan de voorwaarde verbindt van ‘zo lang ik nog vreugde vind in hem’. Waarom, is mij niet duidelijk.
En dan is er op eens het slotvers (35) dat de zondaars en boosdoeners van de aarde zullen verdwijnen. Zullen wij dan allen verdwijnen? De dichter zal toch beseffen dat hij zelf ook een zondaar is en zich daarmee ook schaart in dat gremium. Sommige vertalingen hebben hier blijkbaar ook hun vragen want daar is het woord ‘zondaars’ (wat overigens wel in de grondtekst staat) vervangen door ‘de bozen’ (W) en door ‘wie zich van hem afwenden’ (GN).
Tot slot is er het liturgisch element van de woorden ‘Loof de Heer mijn ziel’. Dit element komt in 15 Halleluja psalmen voor.

Piet Beishuizen