Psalm 55

In de eerste verzen (2- 9) wordt in het gebed van de dichter een veelheid van ongerechtigheid en angst opgesomd, die hem bijkans doen bezwijken. Hij weet niet meer waar het te zoeken en hij vraagt God om antwoord, maar dat komt er blijkbaar niet, want hij zou een duif willen zijn om ver weg te kunnen vliegen om zo te kunnen ontkomen aan de vijand. De dichter gebruikt hiervoor als metafoor de natuur in het tweevoudige van wind en daarna de storm. De NBV laat dit weg en vertaalt ‘stormwind’, waardoor het dubbele van wat op je afkomt verdwijnt. Als enige vertaling voegt de NB aan vers 2 toe het vragen om genade, hetgeen iets toevoegt aan het smeken, maar staat dat wel in de oorspronkelijke tekst?

In de volgende verzen (10 - 12) wordt de gedachte van het ver weg zijn, even vergeten en vraagt de dichter aan God om op te treden tegen de bedrijvers van het onheil, bedreiging en bedrog. Hij vraagt om spraakverwarring, naar analogie van het verhaal van de bouw van de toren van Babel. Het is nodig omdat zij overal zijn, op de muren, in de stad en op het plein.
De volgende verzen (13 -16) laten plotseling een ander beeld zien. Alles wat hiervoor gezegd is, komt blijkbaar niet van de vijand, maar van de vriend, met wie de dichter samen is opgetrokken naar de tempel. Een wat wonderlijke ontboezeming na de voorgaande tekst. Zag de dichter dat plotseling, dat de vriend de vijand was? Een soortgelijk gezegde komt ook voor in Psalm 41:10 en bij Job (6:14-17). Ook Jezus gebruikte die woorden tijdens de laatste maaltijd, Johannes 13:18.
Maar in al deze situaties is sprake van één of enkele vrienden, terwijl in Psalm 55 steeds sprake is geweest van de vijand in het meervoud, die dan overgaat in het enkelvoud van de vriend. Voor mij blijft deze beeldwijziging een vreemd iets; wat wil de dichter hiermee zeggen? Dat de vriend in feite een slecht persoon is, komt in vers 16 naar voren. Hem wordt de dood toegewenst.

In de verzen 17-19 komt de dichter weer bij zichzelf. Hij roept tot God - in een voor zijn gevoel erbarmelijke situatie van kreunen en klagen - de gehele dag, en is er toch van overtuigd dat God hem zal bevrijden en loskopen van hen die hem te na komen. Opmerkelijk is de indeling van die gehele dag, namelijk avond, ochtend en middag; de volgorde ‘avond, ochtend’ is ontleent aan de indeling van de scheppingsdagen. Daar is ook sprake van ‘het werd avond en het werd ochtend’.
In vers 20 zegt de dichter dat God zal horen en zijn tegenstanders zal doen bukken, maar zij zullen niet veranderen. Hierbij geeft de dichter ook nog aan dat God is van het begin, opdat zij het maar weten. Opmerkelijk is dat de NBV vertaling – als enige - hier toevoegt dat God niet verandert; die toevoeging lijkt niet juist, gezien de nauwkeurige Staten en Naardense Bijbel vertalingen.
In vers 21 gaat de dichter plotseling weer over op het enkelvoud, waarbij de tekst door de verschillende vertalingen geen gelijke reacties oproepen. De enkeling strekt zijn handen met vergelding uit naar hen (de vijanden uit vers 19?) en schenden daarmee het verbond (S, NBG en NB).
De andere vertalingen spreken van zich keren tegen vrienden (NBV), vriend (GN) en naaste (W). Hierbij refereert de vertaler dus aan de verzen 13-16.

In het volgende vers (22) wordt in niet mis te verstane woorden nog eens verteld wie die hij is. Zijn woorden die uit zijn gladde mond komen zijn zachter dan olie, maar vergis je niet, want in zijn hart is hij oorlog belust en de woorden zijn in feite zwaarden die uit het foedraal zijn gehaald. In vers 23 geeft de dichter het advies om je zorgen met God te delen, want Hij zal je nooit laten vallen. En dan in nog maar weer eens naar voren brengen dat de mannen van bloed en bedrog in de poel van het verderf zullen eindigen en nog niet de helft van een gemiddeld mensenleven zullen bereiken - maar de dichter - hij blijft op God vertrouwen.

Piet Beishuizen