Psalm 51

Evenals de in de vorige 2Klank besproken psalm 31 is psalm 51 een boetepsalm. David zou deze psalm hebben gemaakt nadat de profeet Nathan hem had onderhouden over zijn overspel met Bathseba (2).
In deze eerste perikoop (verzen 3 – 6) zingt de dichter in allerlei toonaarden dat hij een slecht mens is. De zonde drukt zwaar op hem en staat hem duidelijk voor ogen en hij vraagt om Gods erbarmen. Het is in zijn ogen dan ook terecht dat God hem veroordeelt omdat hij tegen God, en dan herhaalt hij nog eens tegen God alleen heeft gezondigd. Als je deze woorden leest zonder concrete context kan je ze goed volgen, maar nu de context is het overspel met Bathseba, valt het op dat de dichter zo nadrukkelijk de zonde tegenover God naar voren brengt en de zonde tegenover Bathseba en die tegenover haar echtgenoot Uria helemaal niet vermeld. Kan je God om vergeving vragen als je de schuld nog niet hebt opgebiecht aan degene aan wie je iets schuldig bent?
In dit verband blijft de zin in het Onze Vader ‘vergeef ons onze schulden’ ook een moeilijke. Hebben wij voor die schuld al vergeving gevraagd aan wie wij iets schuldig zijn?

Na deze ontboezeming volgt de cruciale tekst (7) van het in zonde geboren zijn. Toch zijn de verschillende vertalingen hier niet éénduidig. Drie vertalingen ( W, GN en NBV) volgen dit, waarbij de NBV het zwaarst naar voren komt, namelijk door te vertalen dat je al schuldig bent als individu, terwijl de andere twee vertalingen spreken over in zonde (het collectief van het menszijn) geboren worden. Uit de andere drie vertalingen (S, NBG en NB) zou je een genuanceerder beeld kunnen opmaken; de eerste twee spreken van ‘in ongerechtigheid geboren’, dat wil zeggen: de dichter kwam in een wereld waar de zonde heerst. De NB vertaling is hier duidelijker door te vertalen dat het begin van de dichter omgeven was door onrecht.
Ook het tweede deel van die tekst kan een soortgelijk verschil te zien geven. De eerste drie geven aanleiding dat de conceptie zondig is, terwijl de andere drie ook hier kunnen aangeven dat conceptie in een zondige wereld plaats vindt.
Dat deze tekst ook veel exegese heeft opgeleverd in de joodse traditie wordt door Tsvi Marx verteld in zijn bijdrage in het blad Interpretatie van april 2002, pag. 22-24. Eén van de commentatoren die hij noemt is Rabbi Akyva die in deze tekst een beeld ziet van nederigheid en morele discipline met de woorden: ‘Bezin je op drie vragen opdat je niet in de macht van de zonde komt: Vanwaar kom je? Uit een kwalijk riekende druppel. Waar ga je naartoe? Naar een plaats vol stof, wormen en maden. En, ten derde, tegenover wie zul je in de toekomst rekenschap moeten afleggen? Tegenover de verheven Koning der koningen, de Heilige gezegend -zij-Hij’.
Na deze tekst waarin een wereld van gedachten ligt, stelt de dichter (8) dat hij oprecht moet zijn en dat God hem wijsheid schenkt.

In de volgende perikoop (9-15) is er een wisselende vraag van de dichter. Beurtelings belijdt hij zonden en vraagt om genade (verzen 9, 11 en 13) en vraagt daarna om hem weer op te richten en blij te maken (10,12 en 14).
De dichter gaat terug naar zijn staat van het zondige leven en vraagt God (9), zijn zonden weg te nemen met een geneeskrachtig kruid (hysop) en hem te wassen, opdat hij weer rein kan zijn; dat er genade is verleend. Daarna vraagt hij God om weer blijdschap en vreugde te ervaren (10) en gaat dan (11) opnieuw naar de staat van verootmoediging door te vragen of God zich af wil wenden van zijn zonden. Hij acht ze blijkbaar dermate groot, dat God er niet naar moet kijken; ze doen pijn aan de ogen van God en hij vraagt God om al wat hij misdeed, uit te delgen. Dan opnieuw de vraag om een nieuw leven (12), een gereinigd hart en nieuwe geest om daarna terug te keren met de vraag (13) hem niet te verwerpen en de geest niet weg te nemen en opnieuw te vragen om blijdschap te ervaren over de bevrijding (14) opdat hij in staat zal zijn om overtreders van de wet te leren om tot God terug te keren (15).

In het volgende verzen vraagt de dichter hem van ‘bloedschuld’ te bevrijden, opdat hij kan juichen over Gods gerechtigheid en vraagt om zijn lippen te openen om Gods lof te verkondigen. Hij belijdt hier een zware zonde, namelijk het vergieten van onschuldig bloed. Wordt hier de dood van Uria opgevoerd? Het is onbegrijpelijk dat de NBV vertaling dit weg laat en vraagt of God hem wil redden van de dreigende dood; dus vraagt om genade maar de schuld niet opbiecht. In de volgende verzen (18 en 19) stelt de dichter dat God geen belangstelling heeft voor offers, maar wel voor de schuldbelijdenis. Dit komt op meer plaatsen voor, o.a. in de profetenboeken, waar wordt gemeld dat God geen belangstelling voor offers heeft, alhoewel Hij deze wel heeft voorgeschreven. Het offeren op zich heeft geen waarde, als dit niet gepaard gaat met een schuldbelijdenis en het doen van gerechtigheid.

Vers 20, de vraag om Sion goedgezind te zijn en de muren van Jeruzalem weer op te bouwen, is een wonderlijk vers in deze psalm. Want als waar is dat David dit gedicht maakte na zijn overspel met Bathseba, behoefden de muren van Jeruzalem niet te worden opgebouwd, want hij woonde in de ommuurde stad. Misschien is dit vers later toegevoegd aan deze psalm, want het zou wel passen na de ballingschap, eeuwen later. Of de gehele psalm is toen gemaakt en de dichter teruggreep op die geschiedenis van David. Ten slotte vraagt de dichter aan God om toch weer behagen te scheppen in oprechte offers.

Piet Beishuizen