Psalm 118

Alvorens de dichter komt tot het uitspreken van de benauwenis waarin hij verkeert, begint hij met het uitspreken van de lofprijzing door hemzelf, zegt vervolgens dat Israël dat ook moet doen en dat dat ook moet gebeuren door de priesterkaste, het huis van Aäron en tot slot dat iedereen, die God vreest, dit ook moet doen. Psalm 118 behoort ook tot de lofpsalmen die in de Joodse traditie worden gezongen op grote feestdagen en bij de paasmaaltijd.

Na deze lofprijzing komt de dichter met zijn roep uit de benauwdheid en tegelijkertijd ervaart hij dat God al antwoord geeft en hem in ruimte stelt; dat God met hem is. God is ook met de helpers van de dichter (7) en daarom kan hij op zijn haters neerkijken. Het is opmerkelijk dat de helpers zijn weggevallen in de W, GN en NBV vertalingen. In het Hebreeuws wordt aangegeven dat God niet alleen met de dichter is, maar ook met de helpers van de dichter. In de verzen 8 en 9 geeft de dichter twee keer de raad dat het beter is de toevlucht te zoeken bij God dan bij (voorname) mensen. Vervolgens vertelt de dichter 3 keer dat hij omsingeld wordt door de volken; het zit hem blijkbaar hoog, maar ook 3 keer zegt hij dat hij ze heeft weerstaan (NBV vertaling); de andere vertalingen gebruiken hardere bewoordingen, zoals neergehouwen. En dat doet hij met de hulp van God; 3 keer zegt hij dat hij dit doet met de Naam van de Heer; de Naam is een krachtig wapen en moet genoeg zijn om de volken te doen verbleken. Ondanks dit alles, wordt hij toch geslagen en komt hij toch bijna ten val (13), maar God heeft hem geholpen. En hij sluit dit stukje tekst af met de woorden dat God de kracht en de muziek of het lied, is die bevrijding brengt.(14)

Dan breekt het gejuich los en dat vult de tenten van de rechtvaardigen en weer 3 keer zingen zij dat de rechterhand van God verheven en krachtig is (15 en 16). Alleen de NBV laat hier iets anders zien, namelijk dat God de dichter verheft en niet dat God verheven is (Hebreeuwse grondtekst). Dit lijkt op een interpretatie en geen vertaling. Dan komt de dichter toch weer terug op zijn benauwde situatie van weleer. God heeft hem wel hard gekastijd, maar niet prijs gegeven aan de dood, opdat hij de grote daden van God kon vertellen (17 en 18). En dan wordt het tijd om naar de tempel te gaan om God dank te brengen en vraagt hij de poort te openen, want de poort geeft voor de rechtvaardige toegang tot de Heer (19 en 20). Deze kleine perikoop (15-20) wordt afgesloten met het dankwoord van de dichter: God gaf hem antwoord en was zijn behoud.

De steen die de bouwers hadden afgekeurd (22) heeft God tot een hoeksteen gemaakt. Vermoedelijk is de hoeksteen een beeld van Israël, een nietig volk waarmee God een verbond heeft gesloten. De evangelisten brengen deze tekst naar voren in de gelijkenis over de wijngaard, waarbij Marcus geen relatie aangeeft en Mattheüs en Lucas vertellen dat je te pletter kunt vallen op die steen. In de christelijke traditie is de hoeksteen opgevat als een beeld van Christus, waarschijnlijk gebaseerd op Handelingen 4:11, waarin Petrus in zijn rede Jezus als hoeksteen vermeld. Dat God dit heeft gedaan (Israël tot hoeksteen verklaard), is niet alleen wonderlijk, maar het volk moet zich daarover ook verheugen (23 en 24). In een tussenzin wordt toch weer een vraag om heil en voorspoed naar voren gebracht. De NBV spreekt van overwinning, maar dat woord komt niet voor in de andere vertalingen.
Dan gaat de dichter vanaf vers 26 weer over naar het beschrijven van de grootheid van God. Degene die komt in de naam van de God is gezegend en vanuit de tempel wordt hij tegemoet gegaan met zegen. God die ons het licht in de ogen heeft gegeven is groot en het feest offer wordt vastgemaakt aan het altaar. De dichter sluit af met de woorden (28 en 29) dat hij God wil danken en verheffen en roept op dat een ieder dit doet, want de goedertierenheid, trouw, genade, vriendschap is eeuwig.

Piet Beishuizen