Psalm 10

Deze psalm begint meteen met een vraag en heeft geen inleiding dat het hier bijvoorbeeld om een psalm van David gaat. Dit komt omdat deze psalm aansluit bij psalm 9 (vorige maand toegelicht) en daarmee één geheel vormt. In die psalm is wel aangegeven dat het hier gaat om een lied van David. Psalm 9 en 10 vormen samen een alfabetisch gedicht. Je kan vers 1 dan laten aansluiten met vers 21 van psalm 9.

Deze psalm, een wraakpsalm, roept God op niet onverschillig te blijven bij het bedreven onrecht en recht te verschaffen aan de onderdrukte. De onderliggende is niet zelf op wraak uit, maar laat dit over aan God. In vers 1 is er de vraag ‘Waarom bent u zo ver weg’ en in vers 12 de bede om op te staan tegen de boosdoeners. In de eerste perikoop (1-11) wordt een uitgebreide opsomming gegeven van alle ellende die de onderdrukte kan overkomen en het genoegen dat de onderdrukker hierbij heeft.
Het is opmerkelijk dat de dichter de kwalijke praktijken van de eenling naar voren brengt. Alleen de Groot Nieuws vertaling spreekt consequent in het meervoud. De NBV en de Willibrord doen dat alleen in vers 2 en gaan daarna weer over op de eenling. Gevoelsmatiger doet het meervoud harder aan dan de kwalijke praktijken van de eenling en misschien bedoelt de vertaler van Groot Nieuws wel dat de eenling staat voor een groep boosdoeners.
De hoogmoedige, de boosdoener grijpt de verdrukte, is daar nog trots op ook en bespot God ook nog (3). Dit laatste is een beetje wonderlijk, omdat hij in het volgende vers (4) denkt dat er geen God is. Het is een ontkenning van Gods rechtvaardig oordeel over wie onrechtvaardig handelt. In Psalm 14:1 en 53:2 komt dit ook voor.

En dan is er weer het bekende bij een booswicht, het gaat hem goed, zegt de dichter; alle regels lapt hij aan zijn laars (5). In Psalm 73:4-12 wordt een hele opsomming gegeven van het voor de wind gaan van de boosdoener. In zijn hart is hij ervan overtuigd dat het kwaad hem niet kan deren, en dat dit ook zal gelden voor zijn nageslacht (6). De dichter schuwt niets om het kwaad dat de boosdoener beoogt, naar voren te brengen; hij dreigt, bedriegt, spreekt kwaad, gaat in een hinderlaag liggen om de zwakke te vermoorden (7,8). En als hij hem al niet doodt, dan berooft hij hem wel en martelt hem (9). Een leeuw in het struikgewas is een beeld van de vijand, ontleend aan het dagelijks leven, waarin reizigers door roofdieren konden worden overvallen. En dan herhaalt de dichter nog eens in vers 10 dat de booswicht zegt dat God toch niets ziet (11). Er kan een berg ellende over een mens komen, die niet is te beschrijven zo lijkt het wel.

Na de opsomming van deze ellende roept de dichter God op om op te staan en zijn hand te heffen, want de ellende is hemel schreiend. Zeker, als de boosdoener God hiermee tart en bij zichzelf zegt dat God toch geen rekenschap van hem zal vragen. (13) Toch gaat de dichter er van uit dat God dit alles wel opmerkt en dan wordt gezegd dat God zoiets in zijn hand weegt, als of de dichter zich afvraagt, is het zwaar genoeg om in te grijpen? God is toch een helper en de verdrukten rekenen er op dat God ingrijpt. (14) En dan opnieuw de vraag van de psalmist: Breek de arm van de goddeloze; straf zijn goddeloosheid, opdat er een einde komt aan alle ellende (15). Want God is koning voor eeuwig en de goddeloze zal uit zijn land verdwijnen. (16) De dichter legt hier de relatie tussen God en het land dat van hem is. Het volk van God heeft het land in feite alleen in bruikleen; de rentmeestergedachte die thans ook weer naar voren komt. Hoe moeten wij omgaan met het land van God? Dan, in de laatste twee verzen is de dichter er van overtuigd dat God dit allemaal heeft gehoord en opgemerkt en dat Hij de vertrapte recht zal doen en dat geen mens hem nog eens te na zal komen in de toekomst. In het laatste vers wordt met name ‘de wees’ genoemd als verdrukte en refereert de dichter aan Deuteronomium 10:18.

In het tijdschrift Interpretatie van april 2005 wordt deze psalm besproken in relatie tot de verkrachte vrouwen en de verkrachtende soldaten tijdens de Balkanoorlog, waarmee de psalm in het hedendaagse wordt gebracht. Dit is een contextuele bijbellezing, d.w.z. men leest de bijbel in relatie tot de tijd waarin wordt gelezen. Deze methode is overgekomen uit Zuid-Amerika. Er wordt een analyse gemaakt van de werkelijkheid waarin men leeft en tracht die in verband te brengen met Bijbelse verhalen of getuigenissen. Zo kan deze psalm zeker ook in relatie worden gebracht met het leven van veel bewoners in Zuid-Amerika en Afrika.

Piet Beishuizen