Psalm 9

Deze psalm vormt met psalm 10 een alfabetisch gedicht. Psalm 10 zal ik volgende keer toelichten; nu psalm 9. Deze psalm geeft een wisselend beeld tussen de nood van de dichter - maar ook zijn lof komt naar voren – over het kwaad dat de vijanden ten toon spreiden en de vraag van de psalmist om hier iets aan te doen.
De dichter begint met te stellen dat hij God zal loven, de wonderen vertellen en de Naam zal bezingen. Dan een sneer naar de vijanden (4), die verloren zullen gaan. Vervolgens gaat het over de rechten van de dichter, die God – zittend op de troon - zou hebben verdedigd (5) om daarna weer terug te keren naar de vijanden die omgebracht zijn en voor eeuwig uit de herinnering zijn verdwenen.

In vers 8 keert de dichter weer terug naar de troon van God, waarop Hij recht zal spreken en de wereld zal richten en beoordelen. God zal een toevlucht zijn voor de onderdrukte, zeker in tijden van nood. Zij die God zoeken vinden veiligheid bij Hem, want God heeft de zoekende niet teleurgesteld. (11)
En dan gaat de dichter verder in vers 12 met de oproep om God lof toe te zingen om vervolgens weer te stellen dat God onschuldig bloed zal wreken en de schreeuw van de verdrukten niet zal vergeten. In het volgende vers (14) keert de dichter weer terug naar zichzelf en vraagt God hem genadig te zijn omdat hij wordt gekneld door zijn vijanden, opdat hij de roemrijke daden van God kan vertellen (15) in de poorten van Sion, om hiermee weer terug te keren tot wat hij in vers 12 heeft gezegd.

Dan wordt in het volgende verzen (16 – 18) nog eens duidelijk gemaakt dat God zich als rechter doet kennen en de volken die menen, zich in hun God vergeten leven, ook nog kuilen konden graven voor hun tegenstanders, zullen vergaan en terugkeren naar het dodenrijk. In de voorgaande verzen lijkt het steeds te gaan over de vijanden die de dichter bedreigen en in hem het volk Israël. In vers 19 wordt plotseling de arme ten tonele gevoerd, die niet zal worden vergeten en waarvoor hoop aanwezig blijft. Zijn dit maar een aantal mensen in Israël of moet hiervoor geheel Israël worden gelezen, wat zou kunnen blijken uit de NBV vertaling; daar wordt vertaald met ‘armen’. In het Hebreeuws wordt echter duidelijk de ‘arme’ genoemd en blijft de vraag staan, wat zou de dichter hier werkelijk bedoeld hebben.
In de laatste twee verzen wordt nog eens duidelijk de afstand tussen God en de mensen naar voren gebracht. Mensen hebben niet de macht, want die is aan God voorbehouden. En de dichter vraagt aan God, dat nog eens goed te laten weten aan de mens.

Piet Beishuizen