Psalm 114

Ook deze psalm, evenals 113 die ik in de vorige 2-Klank heb toegelicht, is één van de zogenaamde lofpsalmen, die op grote feestdagen en bij de Pesach maaltijd werden gezongen.
In de eerste vier verzen van deze psalm wordt de uittocht uit Egypte (de zee vluchtte) en de intocht in het nieuwe land (de Jordaan trok zich terug) kort samengevat. De bronnen voor deze teksten komen uit de boeken Exodus, Deuteronomium en Jozua. Dit geldt niet voor ‘Juda, zijn heiligdom’. Refereert de dichter hier aan de stichting van de tempel in Jeruzalem, daar waar de stam Juda is gevestigd?

In vers 4 ligt verwantschap met psalm 29:6 waar wordt verteld dat de Libanon en de berg Hermon angstig opspringen.
De verzen 5 en 6 slaan weer terug op de verzen 3 en 4, maar nu in de vragende vorm met de woorden ‘waar waren jullie’; konden jullie iets doen om mijn volk tegen te houden als ik het begeleid? Daarom vervolgt de dichter in vers 7 met de woorden ‘beef aarde’ - waarin de zeeën en bergen zijn opgenomen – voor het aanschijn van God. En in vers 8 refereert de dichter nog eens aan de woestijnreis waar water uit de rots kwam. Dit vers vindt een overeenkomst met psalm 78:15 ‘in de woestijn spleet hij de rotsbodem open, het water stroomde er uit’. Deze lange psalm (78) staat geheel in het teken van de woestijnreis.

Piet Beishuizen