Psalm 127

Deze psalm is één van de twee liederen die uit de bundel van Salomo afkomstig zouden zijn; de andere is psalm 72. In de joodse exegese zou de psalm echter van David afkomstig zijn, die hij heeft opgedragen aan zijn zoon Salomo óf geschreven heeft (rabbi Radak 1160-1235) over zijn zoon, met het oog op het bouwen van de tempel, die hij (David) zelf niet mocht bouwen van God.

In de eerste twee verzen stelt de dichter nadrukkelijk dat het leven in relatie staat tot God. Je moet niet denken dat je het huis alleen kan bouwen of de stad alleen kan bewaken. Nee, bij het bouwen en het bewaken ben je afhankelijk van God. Het gaat dus om de erkenning van God bij al je werkzaamheden. Ook het vroege opstaan of het laat naar bed gaan en het met moeite eten geeft geen soelaas. Nee, God geeft dit alles als in de slaap, dat wil zeggen dat als je het van God verwacht, het je zonder moeite zal geworden.

Ook in de verzen 3 en 4 komt dit aspect naar voren. Dat de mens in alles wat hij doet afhankelijk is van de zegen van God, is nergens duidelijker dan bij het verwekken van kinderen. De sleutel van de moederschoot, de controle over de vruchtbaarheid is alleen God voorbehouden. Dit aspect komt ook in meer verhalen in de bijbel naar voren.
Ook de opvoeding is een zaak, waarbij Gods leiding en toezicht absoluut noodzakelijk is volgens de joodse uitleg van deze psalm. Zo wordt ook gesteld dat het goed is om kinderen te hebben wanneer men nog jong is. Men heeft dan meer geduld en energie om voldoende aandacht te geven aan de ontwikkeling van het kind. Op die manier kunnen de kinderen het geloof van de ouders verdedigen tegenover de vijanden van het geloof (vers 5).

Piet Beishuizen