Psalm 89

Dit is een psalm van Etan de Ezrahiet; volgens een aantekening in Groot Nieuws zou hij één der wijzen zijn geweest in de tijd van Salomo.
De meeste oudere vertalingen schetsen deze psalm als een bede aan God om aan de gelofte, aan David gegeven, te denken. Ze zien de psalm als vraag om redding; de Statenvertalers zijn positief, God zal Zijn volk verlossen!

De psalm begint met in de verzen 2 en 3 met de blijdschap over de grootheid van God en het zingen daarover en krijgt een vervolg in de verzen 6-19. De verzen 4 en 5 gaan over de uitverkorene David en zijn een inleiding voor de verzen 20-38. Dit stukje tekst wordt onderbroken door de verzen 31-33 waarin de nazaten van David wordt verweten dat zij God vergeten. Deze laatste verzen krijgen een vervolg in de verzen 39-46, waarin de straf wordt uitgebeeld als gevolg van de ontrouw van de nazaten. Hierna smeekt de dichter om uitredding en vraagt God terug te keren naar het verbond met David (verzen 47-52).
Gezien de lengte van de psalm zal ik de toelichting in een aantal achtereenvolgende maanden bespreken.

In deze inleiding wordt tot twee keer toe de keten van de geslachten naar voren gebracht. Eerst door de dichter: met hen zal hij zingen van Gods liefde en daarna door God wanneer Hij zegt dat Hij de troon van David zal handhaven. Hiermee herhaalt de psalmist datgene wat de profeet Nathan aan David vertelde (2 Samuël 7:8-16). De liefde van God - in de GN en NB vertaling - wordt in de Statenvertaling nog beschreven met het oude woord ‘goedertierenheid’. De NB vertaling spreekt van het moderne ‘vriendschap’. Dit lijkt me toch wat zwakker dan ‘liefde’. De Willibrord vertaling gebruikt het woord ‘genade’.

Nadat in de verzen 6-9 bij herhaling wordt gesproken over de grootheid en de macht van God, die
bekend is bij zowel de andere goden als bij de raad van hemelingen, laat de dichter in de verzen 10 en 11 horen dat God ook de zee kan beheersen en het oermonster Rahab heeft verbrijzeld; in Job 26:12 wordt dit ook zo gezegd. In vers 12 en 13 wordt een relatie gelegd met de schepping wanneer de dichter zegt dat God de wereld onwrikbaar vast heeft gezet in de chaos, dat Hij de windstreken bepaalde en dat de bergen getuigen van zijn kracht.
Daarna keert de psalmist weer terug naar de troon van God, wanneer hij herhaalt dat Gods macht ver reikt en dat liefde en trouw hem vergezellen (14 en 15).

Vervolgens, verzen 16-19, worden de bewoners van de aarde genoemd, dat ze gelukkig zijn te weten van Gods geborgenheid; ze kunnen hierover juichen en God hiervoor danken. Tot slot wordt Hij gedankt voor de koning die hen zal beschermen als een schild.

Wordt vervolgd.

Piet Beishuizen