Sinds het najaar van 2015 heeft Piet Beishuizen maandelijks een persoonlijke meditatie over één van de psalmen gepubliceerd in 2Klank, het kerkblad van de Protestantse Gemeente Geldrop-Mierlo.

Een aantal van de meest recente vindt u hieronder, alle meditaties zijn als bundel beschikbaar via de link Persoonlijke meditaties bij een aantal psalmen

Psalm 91

Na in het algemeen gezegd te hebben (vers 1) dat het goed is te zijn in de nabijheid van God, betrekt de dichter dit in het 2e vers op zichzelf. Hij zoekt zijn toevlucht bij God, waarop hij kan vertrouwen en zich veilig kan voelen. Waarna de psalmist weer overgaat naar het algemene (vers 3) en zegt wat God allemaal voor de mens kan betekenen.

Psalm 85

Deze psalm is door de dichter opgedragen aan de voorzanger en komt uit de kring van de Korachieten, zoals aangegeven in het eerste vers. De Korachieten zijn bekend als tempelzangers en –muzikanten, 2 Kronieken 20:19.
Vers 2 is een zinsspeling op de bevrijding uit de ballingschap in Baylonië (587-538 voor het begin van onze jaartelling). De verzen 2-4 ademen een positieve indruk van God, omdat hij de bevrijding heeft bewerkstelligd, de zonde vergeeft en zich afwend van de toorn.

Psalm 77

De dichter maakt ernst met zijn probleem (de Godverlatenheid) door twee maal aan te geven dat hij God aanroept. In de gebedshouding van het uitstrekken van beide handen zal hij dat dag en nacht blijven doen totdat God het hoort; voor die tijd is hij niet te troosten. Hij verkeert in ernstige moeilijkheden en denkend aan God, blijft hij maar piekeren, kan niet slapen, weet geen woord uit te brengen.

Psalm 127

Deze psalm is één van de twee liederen die uit de bundel van Salomo afkomstig zouden zijn; de andere is psalm 72. In de joodse exegese zou de psalm echter van David afkomstig zijn, die hij heeft opgedragen aan zijn zoon Salomo óf geschreven heeft (rabbi Radak 1160-1235) over zijn zoon, met het oog op het bouwen van de tempel, die hij (David) zelf niet mocht bouwen van God.

Psalm 89

Vorige maand werd afgesloten met een beeld van de goede verstandhouding tussen God en de koning in de verzen 34-38.
Maar dan kantelt het beeld. De dichter klaagt God aan dat hij zijn knecht, de koning, in de steek heeft gelaten. In een lange opsomming van 8 verzen (39-46) wordt verteld wat God allemaal heeft gedaan – nare dingen - vanaf de jeugd van de koning tot hij op de troon zat en zijn tegenstanders heeft verhoogd, maar ook de muren van Jeruzalem tot puin gemaakt, en wat God niet heeft gedaan: de koning niet gered, niet geholpen in de strijd, het plunderen van de stad niet heeft voorkomen.

Psalm 89 (vervolg)

Na de inleiding van deze psalm over de grootheid van God en de macht die Hij ten toon spreidt, ook in de relatie tot het koningschap van David, slaan de volgende verzen 20-30 geheel op de persoon van David. Door de psalmist wordt hij met de woorden van God op een voetstuk gezet. Een zodanig hoog voetstuk dat orthodox christelijke exegeten van mening zijn dat deze woorden duidelijk heenwijzen naar Christus. Met name wordt dan gewezen op 20-21 waarin David als prototype geldt en in 27 waarin David zegt ‘ U bent mijn Vader’, dit kan alleen maar op Jezus slaan. Ditzelfde wordt gezien in 28-30 en 36-37, waarin de troon van David nooit zal wankelen en voor eeuwig vast zal staan. Immers na Salomo kwam een einde aan zijn rijk. Het rijk van zijn nakroost (30 en 37) moet dan ook worden gezien als het rijk van Christus die uit geslacht van David voortkwam. In de joodse exegese wordt dat uiteraard niet zo gezien.

Psalm 89

Dit is een psalm van Etan de Ezrahiet; volgens een aantekening in Groot Nieuws zou hij één der wijzen zijn geweest in de tijd van Salomo.
De meeste oudere vertalingen schetsen deze psalm als een bede aan God om aan de gelofte, aan David gegeven, te denken. Ze zien de psalm als vraag om redding; de Statenvertalers zijn positief, God zal Zijn volk verlossen!

Psalm 2

In de christelijke exegese wordt deze psalm primair messiaans uitgelegd en volgens orthodoxe christenen hebben sommige teksten direct betrekking op Jezus. In de joodse exegese is van het laatste uiteraard geen sprake.

Psalm 71

Deze psalm begint niet - zoals de meeste psalmen - met een verwijzing naar David of de voorzanger of anderszins, maar valt meteen met de deur in huis. Naast de bede om hulp en ondersteuning omdat de vijanden om hem heen staan, zijn er ook vele verzen die God loven; het is een gebed en een lofzang. In de psalm komt een nauwe relatie naar voren tussen de dichter en zijn God.

Psalm 61

De dichter begint (2,3) met het vragen van aandacht van God omdat hij zich ver van het centrum van de veiligheid vandaan voelt en ook is. Situeren de oudere vertalingen (S en NBG) hem nog aan het einde van het land, naar mijn idee dan suggererend, de grens van het land van inwoning, de andere vertalingen hebben hier vertaald aan het einde van de aarde. Daarmee aangevend een balling te zijn in de vreemde, hetgeen toch iets anders is dan nog in het eigen land te verkeren en in nood zitten.