De psalmen

Sinds het najaar van 2015 heeft Piet Beishuizen maandelijks een persoonlijke meditatie over één van de psalmen gepubliceerd in 2Klank, het kerkblad van de Protestantse Gemeente Geldrop-Mierlo.

Een aantal van de meest recente vindt u hieronder, alle meditaties zijn als bundel beschikbaar via de link Persoonlijke meditaties bij een aantal psalmen

Psalm 114

Ook deze psalm, evenals 113 die ik in de vorige 2-Klank heb toegelicht, is één van de zogenaamde lofpsalmen, die op grote feestdagen en bij de Pesach maaltijd werden gezongen.
In de eerste vier verzen van deze psalm wordt de uittocht uit Egypte (de zee vluchtte) en de intocht in het nieuwe land (de Jordaan trok zich terug) kort samengevat. De bronnen voor deze teksten komen uit de boeken Exodus, Deuteronomium en Jozua. Dit geldt niet voor ‘Juda, zijn heiligdom’. Refereert de dichter hier aan de stichting van de tempel in Jeruzalem, daar waar de stam Juda is gevestigd?

In vers 4 ligt verwantschap met psalm 29:6 waar wordt verteld dat de Libanon en de berg Hermon angstig opspringen.
De verzen 5 en 6 slaan weer terug op de verzen 3 en 4, maar nu in de vragende vorm met de woorden ‘waar waren jullie’; konden jullie iets doen om mijn volk tegen te houden als ik het begeleid? Daarom vervolgt de dichter in vers 7 met de woorden ‘beef aarde’ - waarin de zeeën en bergen zijn opgenomen – voor het aanschijn van God. En in vers 8 refereert de dichter nog eens aan de woestijnreis waar water uit de rots kwam. Dit vers vindt een overeenkomst met psalm 78:15 ‘in de woestijn spleet hij de rotsbodem open, het water stroomde er uit’. Deze lange psalm (78) staat geheel in het teken van de woestijnreis.

Piet Beishuizen

Psalm 113

De psalm begint met het Halleluja, een liturgisch element dat kenmerkend is voor de vijftien zogenaamde Halleluja psalmen, die op grote feestdagen en bij de Pesach maaltijd werden gezongen. Deze psalm heeft ook model gestaan voor de tekst uit Lucas 1 waarin Maria haar lofzang zingt.

Psalm 128

Deze psalm – een pelgrimslied -ademt een diepe relatie tussen God en de mens, die ontzag heeft voor de ENE, de wetten volgt en een gelukkig leven leeft met vrouw en kinderen. Maar hoe zit het nu met de man die schroom heeft, eerbied heeft voor God en aan wie die welzaligheid niet ten deel valt. Dit blijft als een hinderlijk iets op de achtergrond bij het lezen van de psalm.
Binnen de verzen 1 en 4, waarin over de mens wordt gesproken, die eerbied heeft voor God (vers 1) en wat hem ten deel valt (vers 4), worden in de verzen 2 en 3 de opbrengsten voor jou vermeld. De dichter gaat van het algemene over naar het bijzondere; ik hoor van hem dat het gaat over mijn geluk. Als eerste wordt genoemd het werken om eten voor het gezin op de tafel te krijgen (vers 2). Dan volgt de passage over je vrouw en de kinderen, die zij heeft gebaard. Olijfscheuten als beeld van rijkdom en vruchtbaarheid.
De dichter sluit dit beeld af met de zegen van God vanaf de berg Sion. Hij maakt nog mee dat het Jeruzalem goed gaat en dat hij zijn kleinkinderen ziet opgroeien.
Tot slot is er de bede voor vrede over Israël.

Piet Beishuizen

Psalm 34

Psalm 34 is een alfabetisch lied, d.w.z. de verzen beginnen met een letter van het Hebreeuwse alfabet. De psalm is een bloemlezing van spreuken en bekende formuleringen.
Beurtelings is de dichter over zichzelf aan het woord (verzen 2-5, 7), dan weer over de ander(en) (verzen 4, 6, 8-9, 16-23) en over zijn toehoorders (verzen 10-15).

Psalm 92

In dit lied, dat op de sabbat wordt gezongen, wordt de grootheid van God naar voren gebracht; niet alleen in het gezang, maar ook in het spelen op verschillende muziekinstrumenten. De dichter komt haast woorden tekort om dit onder woorden te brengen, hij jubelt en is verheugd. Dit eindigt in vers 6 met de woorden dat Gods daden groot zijn en Zijn gedachten diep. Het eerste komt veelvuldig voor in de Schrift, het tweede heb ik niet ergens anders kunnen vinden. Wat of hoe moet ik Gods gedachten begrijpen? Ben ik dan gelijk aan de man van vers 7 ‘een redeloos man heeft daar geen weet van en een stommerik verstaat dit niet‘ volgens de dichter in de NB vertaling. De vertaling in GN gaat ook die richting uit.

Psalm 91

Na in het algemeen gezegd te hebben (vers 1) dat het goed is te zijn in de nabijheid van God, betrekt de dichter dit in het 2e vers op zichzelf. Hij zoekt zijn toevlucht bij God, waarop hij kan vertrouwen en zich veilig kan voelen. Waarna de psalmist weer overgaat naar het algemene (vers 3) en zegt wat God allemaal voor de mens kan betekenen.

Psalm 85

Deze psalm is door de dichter opgedragen aan de voorzanger en komt uit de kring van de Korachieten, zoals aangegeven in het eerste vers. De Korachieten zijn bekend als tempelzangers en –muzikanten, 2 Kronieken 20:19.
Vers 2 is een zinsspeling op de bevrijding uit de ballingschap in Baylonië (587-538 voor het begin van onze jaartelling). De verzen 2-4 ademen een positieve indruk van God, omdat hij de bevrijding heeft bewerkstelligd, de zonde vergeeft en zich afwend van de toorn.

Psalm 77

De dichter maakt ernst met zijn probleem (de Godverlatenheid) door twee maal aan te geven dat hij God aanroept. In de gebedshouding van het uitstrekken van beide handen zal hij dat dag en nacht blijven doen totdat God het hoort; voor die tijd is hij niet te troosten. Hij verkeert in ernstige moeilijkheden en denkend aan God, blijft hij maar piekeren, kan niet slapen, weet geen woord uit te brengen.

Psalm 127

Deze psalm is één van de twee liederen die uit de bundel van Salomo afkomstig zouden zijn; de andere is psalm 72. In de joodse exegese zou de psalm echter van David afkomstig zijn, die hij heeft opgedragen aan zijn zoon Salomo óf geschreven heeft (rabbi Radak 1160-1235) over zijn zoon, met het oog op het bouwen van de tempel, die hij (David) zelf niet mocht bouwen van God.

Psalm 89

Vorige maand werd afgesloten met een beeld van de goede verstandhouding tussen God en de koning in de verzen 34-38.
Maar dan kantelt het beeld. De dichter klaagt God aan dat hij zijn knecht, de koning, in de steek heeft gelaten. In een lange opsomming van 8 verzen (39-46) wordt verteld wat God allemaal heeft gedaan – nare dingen - vanaf de jeugd van de koning tot hij op de troon zat en zijn tegenstanders heeft verhoogd, maar ook de muren van Jeruzalem tot puin gemaakt, en wat God niet heeft gedaan: de koning niet gered, niet geholpen in de strijd, het plunderen van de stad niet heeft voorkomen.