De psalmen

Sinds het najaar van 2015 heeft Piet Beishuizen maandelijks een persoonlijke meditatie over één van de psalmen gepubliceerd in 2Klank, het kerkblad van de Protestantse Gemeente Geldrop-Mierlo.

Een aantal van de meest recente vindt u hieronder, alle meditaties zijn als bundel beschikbaar via de link Persoonlijke meditaties bij een aantal psalmen

Psalm 145

De dichter begint met God, die hij ook als een koning ziet, te prijzen en te danken; hij zal dit altijd doen en zegt dat God groot is en niet te doorgronden (1-3). Dat ‘altijd’ komt in vers 4 terug wanneer hij zegt dat geslacht na geslacht de daden van God zal verkondigen en roemen. Als enige vertaling noemt de NBV hier de schepping als daad, al hoewel dit in het Hebreeuws niet staat, neem ik aan op basis van de S en NB vertaling. In vers 5 komt de dichter weer bij zichzelf door nogmaals weer te geven dat hij dat de luister van de majesteit (God was immers koning) zal vertellen. Als enige vertaling gebruikt de NBV hier de meervoudsvorm door drie maal het vers te beginnen met ‘Laten zij’. De andere vertalingen gebruiken alleen in de verzen 6 en 7 de meervoudsvorm ( die terugslaat op de geslachten) voor het vertellen hoe goed en groot God is en over de machtige daden en hierbij juichen over zijn gerechtigheid.

Psalm 116

Na het statement te hebben afgegeven dat de dichter God liefheeft en dat hij hem hoort, vraagt de dichter God om hulp omdat hij in grote angst zit en vraagt om zijn leven te redden. En dan vervolgt hij met de stelling dat God genadig en rechtvaardig is en vol ontferming; hij zal bevrijding schenken, omdat de dichter niets meer kan. Hij geeft zich over aan God.

Psalm 38

Deze psalm is één van de 7 boetpsalmen die de christelijke liturgie kent voor tijden van rouw; de andere zijn: 6, 32, 51, 102,130 en 143. In de eerste negen verzen beschrijft de dichter de bizarre situatie waarin hij verkeert. Zowel zijn lichamelijke als geestelijke vermogens staan zwaar onder druk en dat alles vanwege zijn zonden. Welke dat zijn, wordt niet vermeld. Hij is ten einde raad en heeft heel wat verzen nodig om dat te vertellen. Leest u het maar eens na. Wel is verwonderlijk dat hij begint met te vragen of God niet vertoornd wil zijn en hem niet te straffen, want in de volgende verzen gaat hij ervan uit dat het God is die hem dit aandoet. Je ervaart een tegenstrijdigheid tussen beide gedeelten. Als enige heeft de GN vertaling dit opgelost door aan het 2e vers toe te voegen: ‘straf mij niet langer’. Dit komt echter niet voor in de grondtekst.

Psalm 33

Deze psalm die de grote daden van God verkondigt, opent met een oproep van de dichter aan de rechtvaardigen en oprechten God lof toe te zingen begeleid door muziekinstrumenten (1-3).
Dan volgen twee verzen over de trouw van God, die gerechtigheid mint en de aarde vervult om vervolgens in vier verzen de schepping uit de chaos naar voren te brengen. Door zijn spreken schiep Hij de hemelen en door zijn adem de sterren. Het water werd ingedamd, zodat de aarde kon ontstaan, waarop ieder die daar woonde, God kon vrezen. En de dichter besluit hier met de woorden ‘Want hij zei, en het werd, hij gebood en het kwam tot stand’; de essentie van de relatie tussen God en de kosmos.

Psalm 104

Kenmerkend is dat de dichter in deze psalm een relatie ziet tussen God en de wereld zoals die zich aan hem voordoet. In een lange ode wil hij in deze psalm hiervan getuigen.
Het is een groots gedicht over de schepping, waarin de grote daden van God worden vermeld. God is in het licht; wij kunnen het licht zien, maar God niet, die in het licht is. Hij maakt de hemel tot een tent waarin wij kunnen wonen (Jesaja 40:22) en zijn opperzalen zoldert hij niet hoog in de hemel maar bij ons op de wateren. De dichter zou hiermee kunnen bedoelen dat God dicht bij is. Maar we kunnen deze tekst (3) ook lezen alsof God de opperzalen van zijn huis op de wateren van de hemel zoldert en daarmee ver van ons vandaan. Dan laat de dichter Gods aanwezigheid zien zich voortbewegend boven ons in de lucht met de wolken als zijn wagen en de wind als zijn wandelen. De wind is ook zijn bode en de bliksemschicht zijn dienaar. Hel lijkt er op alsof de dichter wil zeggen: God is de natuur of de natuur is God. Een gedachte die door de filosoof Spinoza is uitgewerkt. Maar het kan misschien ook worden uitgelegd alsof de dichter wil betogen dat er niet een God van de donder is of een God van het vuur of op de bergen, maar dat er een enig God is. God is EEN.

Psalm 55

In de eerste verzen (2- 9) wordt in het gebed van de dichter een veelheid van ongerechtigheid en angst opgesomd, die hem bijkans doen bezwijken. Hij weet niet meer waar het te zoeken en hij vraagt God om antwoord, maar dat komt er blijkbaar niet, want hij zou een duif willen zijn om ver weg te kunnen vliegen om zo te kunnen ontkomen aan de vijand. De dichter gebruikt hiervoor als metafoor de natuur in het tweevoudige van wind en daarna de storm. De NBV laat dit weg en vertaalt ‘stormwind’, waardoor het dubbele van wat op je afkomt verdwijnt. Als enige vertaling voegt de NB aan vers 2 toe het vragen om genade, hetgeen iets toevoegt aan het smeken, maar staat dat wel in de oorspronkelijke tekst?

Psalm 51

Evenals de in de vorige 2Klank besproken psalm 31 is psalm 51 een boetepsalm. David zou deze psalm hebben gemaakt nadat de profeet Nathan hem had onderhouden over zijn overspel met Bathseba (2).
In deze eerste perikoop (verzen 3 – 6) zingt de dichter in allerlei toonaarden dat hij een slecht mens is. De zonde drukt zwaar op hem en staat hem duidelijk voor ogen en hij vraagt om Gods erbarmen. Het is in zijn ogen dan ook terecht dat God hem veroordeelt omdat hij tegen God, en dan herhaalt hij nog eens tegen God alleen heeft gezondigd. Als je deze woorden leest zonder concrete context kan je ze goed volgen, maar nu de context is het overspel met Bathseba, valt het op dat de dichter zo nadrukkelijk de zonde tegenover God naar voren brengt en de zonde tegenover Bathseba en die tegenover haar echtgenoot Uria helemaal niet vermeld. Kan je God om vergeving vragen als je de schuld nog niet hebt opgebiecht aan degene aan wie je iets schuldig bent?
In dit verband blijft de zin in het Onze Vader ‘vergeef ons onze schulden’ ook een moeilijke. Hebben wij voor die schuld al vergeving gevraagd aan wie wij iets schuldig zijn?

Psalm 32

Deze psalm is één van de zeven boetpsalmen die de christelijke liturgie kent voor tijden van rouw. De andere psalmen zijn: 6, 38, 51, 102, 130 en 143. De dichter brengt in deze psalm de inhoud vanuit verschillende invalshoeken naar voren, namelijk vanuit zichzelf - wanneer hij in de eerste persoon spreekt – vanuit het algemene en vanuit God. De dichter begint de psalm met te stellen (vers 1 en 2) dat een mens gelukkig kan zijn wanneer God de overtredingen vergeeft, de zonde wordt toegedekt, de begane ongerechtigheid niet wordt toegerekend en in wiens hart geen bedrog is. De bewoordingen van de genadegaven laten op het eind wel een voorwaarde zien, namelijk dat de zondaar oprecht moet zijn. Maar het blijft groots dat de dichter eerst de genadige God ziet en daarna de mens, die geen bedrog mag koesteren. Paulus citeert deze verzen in Romeinen 4:7-8 wanneer hij de rechtvaardiging voor God behandelt. Maar in die behandeling vertelt hij dat God mensen rechtvaardigt door in Jezus Christus te geloven,(3: 22). Een voorwaarde die de dichter in psalm 32 helemaal niet kende en ook nergens voorkomt in de Hebreeuwse bijbel.

Psalm 118

Alvorens de dichter komt tot het uitspreken van de benauwenis waarin hij verkeert, begint hij met het uitspreken van de lofprijzing door hemzelf, zegt vervolgens dat Israël dat ook moet doen en dat dat ook moet gebeuren door de priesterkaste, het huis van Aäron en tot slot dat iedereen, die God vreest, dit ook moet doen. Psalm 118 behoort ook tot de lofpsalmen die in de Joodse traditie worden gezongen op grote feestdagen en bij de paasmaaltijd.

Psalm 63

De psalmist begint met de uitspraak dat hij God zoekt, zijn God zoekt, hij smacht met heel zijn wezen vanuit een dorstig land. Wat is een dorstig land? Kees Waayman (Interpretatie juli 2001) ziet hier op grond van het Hebreeuws, de nachtelijke situatie, van waaruit de psalmist ontwaakt. Als enige vertaler geeft de Statenvertaling daar ook aanleiding toe. Daar is vertaald dat de psalmist God zoekt in de dageraad, dus bij het ontwaken, Het is opmerkelijk dat alle andere vertalingen dit aspect hebben weggelaten. De situatie van de nacht komt terug in vers 7.