De psalmen

Sinds het najaar van 2015 heeft Piet Beishuizen maandelijks een persoonlijke meditatie over één van de psalmen gepubliceerd in 2Klank, het kerkblad van de Protestantse Gemeente Geldrop-Mierlo.

Een aantal van de meest recente vindt u hieronder, alle meditaties zijn als bundel beschikbaar via de link Persoonlijke meditaties bij een aantal psalmen

Bij het lezen van deze tekst viel mij in één keer op dat de meeste vertalingen vaak het woord ‘Gij’ gebruiken; in de NBV is hiervoor het woord ‘U’ gebruikt. Het eerste komt veel meer gedragen over en past ook wel bij zulke oude teksten. Maar misschien wordt de moderne mens hierdoor afgeleid en komt het tweede beter over. Ik vind het overigens wel een moeilijke tekst voor een uitleg.

Ik onderken drie gedeelten, namelijk God en de mens (2-5), God en de wereld (6-9) en God en het land (10-14). De dichter begint te vertellen dat God lof toekomt en een gelofte moet worden betaald, de stilheid die Hem verschuldigd is, is in de NBV weg vertaald. Vervolgens zegt de psalmist dat God de bidder hoort en ieder tot Hem mag gaan en dat de begane misstappen door God worden verzoent. Tot slot zegt de dichter in deze eerste perikoop dat de mens die God wordt gekozen welgelukzalig is, mag wonen in zijn nabijheid en het goede zal ontvangen.

Deze psalm is een lofzang van iemand die zich sterk verbonden weet met zijn volk. Het eerste gedeelte is dan ook geschreven in de wij-vorm, terwijl de dichter in vers 13 overgaat naar de ikvorm.
De dichter richt zich tot alle volken en roept hen op God lof toe te brengen; hem toe te zingen en zeggen hoe groot hij is (1-3a). Dan stelt hij voor dat de vijanden voor God kruipen en dat alle mensen God met liederen toezingen (3b-4). Een snelle constatering; in vers1 nog de oproep en in vers 4 is het al gerealiseerd.

De psalm begint met een gebed om verlossing (1-3a), gevolgd door de roep om de goddelozen te straffen (3b-5), gaat over in een dankgebed (6-7) en eindigt met een roep om bevrijding van het volk (8-9). De dichter begint met het aanspreken van God als zijn rots; een bekend beeld van de bescherming en zekerheid die God biedt. Maar als God blijft zwijgen, kan hij (de dichter) beter gelijk zijn aan de doden. Dit laatste komt ook voor in psalm 143:7. In zijn wereld is God dus wel bij de levenden en niet bij de doden.

Psalm 26

Een psalm waarin de dichter betoogt dat hij oprecht wil leven, wat hij doet en wat hij niet doet. En daarom vraagt hij God om recht te doen; voelde hij dat hem onrecht werd aan gedaan? Maar waarin dat bestond, wordt niet duidelijk. In zijn wandel door het leven, wankelde hij niet en vertrouwde op God (1). Dit wordt nog eens herhaald in vers 3. In het tussenliggende vers vraagt hij God om hem nog eens goed te bekijken.

Dan zegt hij wat hij niet doet; hij houdt zich niet op met de slechte mensen en bezoekt hen niet, gaat hen uit de weg (4 en 5). En dan vertelt hij wat hij wel doet; hij wast zijn handen in onschuld, gaat naar de tempel om daar de lof van de glorie van God te horen en zelf de lof te doen horen. Hij heeft de woning, waar God woont, lief (6 - 8).
Dan vraagt hij God hem niet in te delen bij de zondaars, mensen met bloed aan hun handen en huichelaars (9 – 10).
De dichter voelt zich blijkbaar zelf geen zondaar, want hij wil niet dat God hem daar bij indeelt. De benaming ‘zondaar’ in de bijbel roept vaker vraagtekens. Zondaars aan de ene kant en Gods getrouwen aan de andere kant. Mij is altijd onderwezen dat wij allen zondaars zijn en ik kan dan soms wat moeilijk de redenering van de bijbelschrijvers volgen.
Dan keert de dichter weer terug naar het eerste vers, waarin hij zegt dat hij in oprechtheid wandelt, maar vraagt wel om de genade. Hij gaat daar waar Gods volk is vergaderd en zal daar de lof brengen (11 – 12).

Piet Beishuizen

Psalm 14

Deze psalm komt woordelijk vrijwel overeen met psalm 53 en wordt door de meeste vertalingen gezien als een psalm die een samenleving laat zien zonder God en door en door slecht. In het eerste en derde vers wordt dit duidelijk neergezet door de dichter. In het tussenvers (2) brengt de psalmist de vraag van God naar voren of er niet één iemand is die nog verstandig is en hem zoekt en dat dan weer herhaalt in 4a. En dan volgt in 4b weer het beeld van de ernstige onderdrukking van Gods volk en dat de onderdrukkers zich niets aantrekken van God en zijn gebod. Maar plotseling keert het tij, zo zegt de dichter, een hevige angst overvalt hen, want God grijpt in en komt de rechtvaardigen te hulp (5).

Nogmaals wordt gewezen op de slechtheid van de mensen, die de hoop van de gebukte ontnemen; hij zoekt zijn toevlucht bij de ENE (6).
In het laatste vers van deze psalm vraagt de dichter zich nog steeds af wanneer er redding komt voor het volk. Maar als die komt, als God de situatie keert, dan zal het volk juichen van blijdschap.

Piet Beishuizen

Psalm 81

De dichter begint zijn psalm met het oproepen tot een feestelijk getuigenis met zang en muziekinstrumenten. Nieuwe maan en volle maan zijn een mogelijke verwijzing naar de 7e maand, waarin het Loofhuttenfeest wordt gevierd. De eerste dag van de maand van de maand (= bij nieuwe maan) is een dag van volstrekte rust, terwijl bij volle maan het Loofhuttenfeest begint. In vers 5 wijst de dichter er op dat het vieren van feesten voorgeschreven is; het is een wet volgens Exodus 23:14-16. In de verzen 6 - 8 verwijst de dichter naar het slavenbestaan in Egypte, de bevrijding daarvan en de tocht door de woestijn. Met de onbekende stem (6) wordt bedoeld de woorden van God, die Hij uitspreekt via de mond van de dichter in de verzen 7 -17. Het is toch maar bewezen dat God bevrijdt als je om hulp riep, wil de dichter zeggen.

Psalm 80

Deze psalm is een gebed om verlossing van de vijanden van Israël met drie keer het refrein: ‘Herstel ons in ere, dan worden we gered’ (4, 8 en 20). Deze bede slaat terug op Numeri 6:25, de aloude Abrahamitische zegen.

De dichter begint God aan te spreken als de herder om te luisteren en het volk te bevrijden. En hij zet hier kracht bij door er op te wijzen dat God toch nog steeds bij hen woont ‘tussen de cherubs boven de ark’. Deze verwijzing komt vaker voor in de bijbel in tijden van nood. Waarom de dichter hier slechts 3 stammen van Israël noemt weet ik niet; ze stammen wel alle drie af van de lievelingsvrouw van Jacob, Rachel. Behoorde de dichter ook tot één van die stammen? Dan wordt God nogmaals opgeroepen om niet meer vertoornd te zijn op zijn biddend volk (5). En dan volgen twee verzen over de ellende waarin zij verkeren; God spijst hen met tranenbrood (eten) en geeft het zelfs driemaal zoveel tranen te drinken. De meeste vertalingen spreken van een overvloed van tranen omdat het Hebreeuwse woord moeilijk was te vertalen? De Statenvertaling vertaalt hier ‘drenkt hen met tranen uit een drieling’; ik kon daar ook niets mee totdat ik de vertaling van de Naardense bijbel erbij pakte en daar las ‘ge drenkt hen met tranen driemaal zoveel’ (6). En dan wordt de dichter concreet door naar voren te brengen dat God andere volken tegen Israël heeft opgezet waardoor de vijanden met hen de spot konden drijven (7).

Psalm 5

De dichter van deze psalm verkeert in een moeilijke positie; hij vraagt God het oor te lenen voor zijn klagen en hij noemt God ook zijn koning als de heerser op aarde. De theocratische gedachte uit het Israël van weleer. Een soortgelijke aanduiding komt ook voor in de psalmen 68:25, 74:12, 84:4 en 145:1; in 74:12 wordt gezegd dat God al van oudsher een koning is die bevrijdt.

Het aanroepen van God in de morgen (4) - wordt twee maal genoemd - is de geschikte tijd voor het gebed.
In de volgende verzen vertelt de dichter dat God zich niet verheugt in het kwaad en de boze niet aan tafel zal vragen. Dwazen houden geen stand in de ogen van God; hij haat degene die verraderlijk handelt. Leugenaars worden te gronde gericht en moordenaars en bedriegers verafschuwd door God.
Dan (8) komt de dichter weer bij zichzelf en in tegenstelling tot het voorgaande zegt hij dat hij, dankzij de goedheid van God, in zijn huis mag binnengaan en zich mag buigen in diep ontzag. Hij vraagt God hem de weg te wijzen, ondanks degenen die hem belagen. Vervolgens wordt weer verteld hoe slecht Gods vijanden zijn (10) en welke straf God moet opleggen voor hun misdaden (11). Het dood en verderf zaaien met de gladde tong komt ook voor in psalm 10:7 en 12:3-5.
Maar degene die schuilen bij God (12) kunnen zich verheugen en juichen. Zij die zich richten naar God (13) zullen worden gezegend en liefdevol worden beschermd.

Piet Beishuizen

Psalm 1

De psalmen openen met een lied over de twee wegen die mensen in kunnen slaan. De goede keuze wordt gedaan door de mens die zich niet begeeft in de kring van goddelozen en zondaars, maar aan Gods Thora een welgevallen heeft, en daar nacht en dag mee bezig is. De psalm maakt een duidelijke tegenstelling tussen de rechtvaardigen en de goddelozen aan de hand van het criterium de Thora in de praktijk te brengen (Theologie van het Oude Testament, pag. 211).

Psalm 146

Deze psalm begint en eindigt met het Halleluja, een liturgisch element dat kenmerkend is voor de vijftien zogenaamde Halleluja psalmen, die op grote feestdagen en bij de Pesach maaltijd werden gezongen.
De dichter begint de psalm met het prijzen van de Eeuwige en dat zal hij zijn leven lang blijven doen, zo zegt hij. Daarna zegt hij dat het niet verstandig is om het vertrouwen op voorname mensen te stellen, bij niemand, want sterfelijk als ze zijn, keren ze weer naar de aarde en al hun plannen gaan verloren. Nee, het is beter hulp te zoeken bij de God van Israël en van Hem het heil verwachten en dan vervolgt de dichter met het schetsen van al datgene dat die God kan doen (verzen 6-9). Hij is niet alleen de schepper van hemel en aarde en de zee en wat daarin leeft, maar hij doet veel meer. Opmerkelijk is dat de dichter de zee met inhoud apart vermeld en niet schuift onder de aarde. Heeft hij op dat moment hier een speciale herinnering aan? En dan gaat de dichter opnoemen wat God voor mensen doet: voor eeuwig trouw, verdrukten recht verschaft, hongerigen brood verschaft, gevangenen bevrijdt, blinden het gezicht weer geeft, opricht wie gebogen gaan, rechtvaardigen lief heeft, vreemdelingen beschermt, weduwen en wezen ondersteunt, maar die kwaad wil doen, zal hij te gronde richten. Met de opsomming van wat God allemaal doet, wil hij blijkbaar aangeven dat er geen terrein is, waar God niet bij is. Alsof de dichter wil zeggen: vertrouw die God nu maar. Tot slot zegt hij dat God koning is voor eeuwig voor alle geslachten. Wil hij hiermee God nog nauwer betrekken bij de aardse mensheid?

Piet Beishuizen