De psalmen

Sinds het najaar van 2015 heeft Piet Beishuizen maandelijks een persoonlijke meditatie over één van de psalmen gepubliceerd in 2Klank, het kerkblad van de Protestantse Gemeente Geldrop-Mierlo.

Een aantal van de meest recente vindt u hieronder, alle meditaties zijn als bundel beschikbaar via de link Persoonlijke meditaties bij een aantal psalmen

Psalm 118

Alvorens de dichter komt tot het uitspreken van de benauwenis waarin hij verkeert, begint hij met het uitspreken van de lofprijzing door hemzelf, zegt vervolgens dat Israël dat ook moet doen en dat dat ook moet gebeuren door de priesterkaste, het huis van Aäron en tot slot dat iedereen, die God vreest, dit ook moet doen. Psalm 118 behoort ook tot de lofpsalmen die in de Joodse traditie worden gezongen op grote feestdagen en bij de paasmaaltijd.

Psalm 63

De psalmist begint met de uitspraak dat hij God zoekt, zijn God zoekt, hij smacht met heel zijn wezen vanuit een dorstig land. Wat is een dorstig land? Kees Waayman (Interpretatie juli 2001) ziet hier op grond van het Hebreeuws, de nachtelijke situatie, van waaruit de psalmist ontwaakt. Als enige vertaler geeft de Statenvertaling daar ook aanleiding toe. Daar is vertaald dat de psalmist God zoekt in de dageraad, dus bij het ontwaken, Het is opmerkelijk dat alle andere vertalingen dit aspect hebben weggelaten. De situatie van de nacht komt terug in vers 7.

Psalm 10

Deze psalm begint meteen met een vraag en heeft geen inleiding dat het hier bijvoorbeeld om een psalm van David gaat. Dit komt omdat deze psalm aansluit bij psalm 9 (vorige maand toegelicht) en daarmee één geheel vormt. In die psalm is wel aangegeven dat het hier gaat om een lied van David. Psalm 9 en 10 vormen samen een alfabetisch gedicht. Je kan vers 1 dan laten aansluiten met vers 21 van psalm 9.

Psalm 9

Deze psalm vormt met psalm 10 een alfabetisch gedicht. Psalm 10 zal ik volgende keer toelichten; nu psalm 9. Deze psalm geeft een wisselend beeld tussen de nood van de dichter - maar ook zijn lof komt naar voren – over het kwaad dat de vijanden ten toon spreiden en de vraag van de psalmist om hier iets aan te doen.
De dichter begint met te stellen dat hij God zal loven, de wonderen vertellen en de Naam zal bezingen. Dan een sneer naar de vijanden (4), die verloren zullen gaan. Vervolgens gaat het over de rechten van de dichter, die God – zittend op de troon - zou hebben verdedigd (5) om daarna weer terug te keren naar de vijanden die omgebracht zijn en voor eeuwig uit de herinnering zijn verdwenen.

Psalm 24

De psalm bestaat uit drie strofen. Tegen de achtergrond van de schepping (vers 1 en 2, strofe 1) wordt in de 2e strofe de mens in relatie tot de Eeuwige getekend (vers 3-6) om af te sluiten in strofe 3 met het bezingen van de grootheid van God (vers 7-10). De psalm wordt wel in verband gebracht met de intocht van de ark van het verbond in de nieuw gebouwde tempel van Salomo.
Deze lokale gebeurtenis wordt in de eerste strofe (vers 1 en 2) afgezet tegen de kosmische grootheid van de schepping. De aarde en al wat daar op is behoort de Eeuwige; de grondlegger van de wereld.

Psalm 111

Ook deze psalm, een Hebreeuws gedicht, is één van de psalmen die begint met de woorden ‘Eer aan de Heer!’ Het is een liturgische element dat kenmerkend is voor de 15 lofzangen in het psalmenboek. Soms aan het begin, soms aan het einde van de psalm. Ze worden gezongen op grote feestdagen en bij de Pesach maaltijd.
De dichter stelt zich op in de kring van de oprechten - de betrouwbare medemensen – om God te prijzen (1) .
In de volgende twee verzen wijst hij op de werken van God, de schepping, het onderhouden hiervan. Als je dat liefhebt ga je dat ook onderzoeken; wat dit alles betekent.