Psalm 58
De dichter van deze psalm ziet een ontwrichte samenleving, waar het recht ontbreekt en hij vraagt daarom aan zijn God om op te treden om de machthebbers te vernietigen. In de eerste verzen worden de machtigen der aarde aangesproken over hun rechtspraak en zegt hij dat de manier van hun regeren de weg vrijmaakt voor geweld. Mensen die geen rekening houden met God zijn reeds ontspoord na de geboorte; het zijn adders die gif spuwen. Een beeld van de onoverwinnelijke vijand (Jeremia 8:17). En dan vanaf vers 7 vaagt de dichter God op te treden en is daarmee niet zuinig in zijn bewoordingen. Sla hun tanden uit hun mond, maak hun pijen bot; zowel mens als oorlogstuig moet God aanpakken. Ze moeten verdwijnen als wegstromend water, vergaan als een slak in zijn slijm. Ja ze zijn als distels die worden verschroeid en weg geblazen door de wind. De dichter roept God op zelfs de toekomstige
nakomelingen van deze vijanden te laten sterven in de moederschoot. Na deze tirade keert de dichter in de laatste twee verzen van deze psalm naar de slachtoffers; zij zullen verheugd zijn bij het zien van de wraak van God en ze zullen hun voeten wassen in het bloed van de misdadigers. En ze zullen zeggen dat er een God is die recht doet op aarde. Een psalm met deze bewoordingen die ons niet aanspreekt denk ik, maar hoe kijken mensen die in gelijke omstandigheden verkeren (oorlogsgebieden met hun wetteloosheid), hier tegen aan? Zou
een moslim of christen in Gaza of op de Westbank ook zo aankijken naar wat zijn joodse landgenoten hem of haar aandoen?
Piet Beishuizen
