logo protestantse kerk logo protestantse kerk
  • ⌂
  • Over ons
    • 't Kruispunt
    • Pastoraat
    • Diaconie
    • ZWO
    • Kerkenraad
    • Samenwerkingen
  • Handig
  • Bezinning
    • Pastorale klank
    • De Psalmen
  • Zoeken
  • Contact
  • Agenda
Inloggen

De psalmen

Sinds het najaar van 2015 heeft Piet Beishuizen maandelijks een persoonlijke meditatie over één van de psalmen gepubliceerd in 2Klank, het kerkblad van de Protestantse Gemeente Geldrop-Mierlo.

Een aantal van de meest recente vindt u hieronder, alle meditaties zijn als bundel beschikbaar via de link Persoonlijke meditaties bij een aantal psalmen.

“Heel lang hebben we in elke editie van 2Klank kunnen lezen wat Piet Beishuizen opdiepte uit de psalmen die hem zo lief waren of uit het evangelie van Marcus. Nu Piet is overleden worden dit de laatste woorden uit zijn pen en geloofshart, waarmee hij tegelijk de wereld beschouwde. Met warme dank voor wat hij daarvan met ons deelde.”

Psalm 58

De dichter van deze psalm ziet een ontwrichte samenleving, waar het recht ontbreekt en hij vraagt daarom aan zijn God om op te treden om de machthebbers te vernietigen. In de eerste verzen worden de machtigen der aarde aangesproken over hun rechtspraak en zegt hij dat de manier van hun regeren de weg vrijmaakt voor geweld. Mensen die geen rekening houden met God zijn reeds ontspoord na de geboorte; het zijn adders die gif spuwen. Een beeld van de onoverwinnelijke vijand (Jeremia 8:17). En dan vanaf vers 7 vaagt de dichter God op te treden en is daarmee niet zuinig in zijn bewoordingen. Sla hun tanden uit hun mond, maak hun pijen bot; zowel mens als oorlogstuig moet God aanpakken. Ze moeten verdwijnen als wegstromend water, vergaan als een slak in zijn slijm. Ja ze zijn als distels die worden verschroeid en weg geblazen door de wind. De dichter roept God op zelfs de toekomstige
nakomelingen van deze vijanden te laten sterven in de moederschoot. Na deze tirade keert de dichter in de laatste twee verzen van deze psalm naar de slachtoffers; zij zullen verheugd zijn bij het zien van de wraak van God en ze zullen hun voeten wassen in het bloed van de misdadigers. En ze zullen zeggen dat er een God is die recht doet op aarde. Een psalm met deze bewoordingen die ons niet aanspreekt denk ik, maar hoe kijken mensen die in gelijke omstandigheden verkeren (oorlogsgebieden met hun wetteloosheid), hier tegen aan? Zou
een moslim of christen in Gaza of op de Westbank ook zo aankijken naar wat zijn joodse landgenoten hem of haar aandoen?

Piet Beishuizen

Psalm 52

In deze vrij korte psalm voert de dichter een machtig man op die het kwade doet en propageert. Zijn tong is scherp als een scheermes en hij spreekt leugen en bedrog. Hij heeft het kwade lief meer dan het goede (3-6). Het is niet duidelijk wie de dichter hier voor ogen heeft. De psalm opent met de woorden dat de Edomiet Doëg naar koning Saul was gegaan om te vertellen dat David zich schuil hield in het huis van Achimelek. Deze geschiedenis -de vlucht van David - wordt beschreven in 1 Samuël 21 en 22. Is de machtige man of held hier Doëg of Saul? Omdat Achimelek, een priester, onderdak had verleend en David weer was gevlucht, beval Saul zijn dienaren niet allen Achimelek te doden, maar ook zijn hele familie.

Doch de dienaren wilden de priesters ( dienaren van God) niet doden en weigerden het bevel van Saul uit te voeren. Toen zei Saul tegen Doëg dat hij die taak dan maar op zich moest nemen; als niet Israëliet had hij daar blijkbaar geen moeite mee. Hij vermoorde niet alleen het gehele priestergeslacht (85 mensen), maar ook de inwoners van de stad Nob. Ziet de dichter nu Doëg als de kwade man als uitvoeder of koning Saul als opdrachtgever. Doëg als Edomiet ziet hier zijn kans schoon om Israël te treffen, maar Saul laat dit toe – verdedigt zijn volk niet tegen een vijand – maar geeft zelfs opdracht om priesters van God en andere onderdanen te doden. Maar de bewoordingen uit deze psalm geven toch een ander beeld dan de beschrijving van de geschiedenis. Heeft de eindredacteur gezocht naar iemand uit de geschiedenis waarop de dichter gedoeld zou hebben.

Na de uiteenzetting van de dichter in de eerste verzen geeft hij een vernietigend oordeel (7) over de machtige man; deze zal worden vernietigd, uit zijn tent gesleurd en gedood. En de rechtvaardigen zien het met vol ontzag aan en lachen hem uit en zeggen: zo vergaat het de held, die zijn kracht niet zoekt bij God, maar zich veilig waant in de grootheid van zijn rijkdom (8-9). De relatie tussen de eerste verzen en de rijkdom in vers 9 die de dichter hier legt, doet wat vreemd aan. In de eerste verzen gaat het immers over het doen van het kwade en de scherpe tong die bedrog spreekt en daarin komt de rijkdom niet voor, noch een suggestie in die richting.

In de slotverzen (‘10-11) komt de dichter bij zichzelf en ziet zich als een bloeiende olijfboom voor Gods aangezicht en weet zich altijd veilig in Gods nabijheid. En daarom zal hij Hemdanken voor alles wat de Heer voor hem deed en dat zal hij doen in de kring van diegenen die God liefhebben.
Er wordt in deze korte psalm heel veel naar voren gebracht dat – naar mijn indruk - niet op elkaar aansluit. Heeft de eindredacteur – in zijn ogen - belangrijke losse stukjes tekst bij elkaar gebracht om ze niet verloren te laten gaan?

Piet Beishuizen

De Psalmen

De psalmen bieden een bloemlezing van religieuze lyriek uit het oude Israël; ze zouden voor het overgrote deel zijn geschreven tussen 1000 en 500 voor onze jaartelling. De psalmen worden toegeschreven aan verschillende personen, waarvan vele aan David, maar daar is geen bewijs voor.

Ook in het christendom hebben zij eeuwenlang een belangrijke plaats ingenomen in de beleving van de religie. Dit is mijns inziens in belangrijke mate toe te schrijven aan de berijming van deze gedichten. Ze konden daardoor in elke bijeenkomst worden gezongen.

De teksten van de psalmen geven een veelheid van informatie over het gevoelen van de dichters; over de schepping, over de grootheid en goedheid van God. De dichter roept God aan als hij in gevaar verkeert en om uitredding roept. Maar ook komen teksten voor uit dankbaarheid voor al datgene dat de dichter overkomt. In weer andere teksten tekent de dichter de geschiedenis van het volk, de uittocht uit Egypte of de perioden dat het volk God niet meer diende en achter andere goden aanliep.

Kortom de psalmen bieden een breed scala van ervaringen, die de mens kan overkomen en meemaken. Ze onttrekken zich vrijwel allemaal om vastgelegd te kunnen worden op auteurschap en op tijd en plaats, en kunnen daarom voor ons in veel gevallen herkenbare zaken opleveren. Zo kunnen wij de psalmen ook in ons leven soms overbrengen en de dichter beamen. Opvolgende generaties kunnen zich dan identificeren in de ik/wij situatie van dankbaarheid, verdriet, wanhoop en vreugde.

Omdat de psalmen zoveel herkenbare situaties kunnen oproepen, raken wij soms vertrouwt met de psalmen. Mensen kunnen soms psalmen aanwijzen als eigen psalmen, waar ze steeds op kunnen terugvallen. In mijn geval is dat psalm 103; de psalm die steeds bij bijzondere gelegenheden - zoals bij verjaardagen - reeds in het gezin van mijn grootvader werd gelezen, en daardoor een familiepsalm is geworden.

Niet alleen over deze psalm, maar over een aantal andere heb ik mijn gedachten laten gaan en ze nog eens goed gelezen, in verschillende vertalingen. Dat roept soms wisselende beelden op. In een aantal volgende nummers van 2 Klank zal ik hiervan iets vertellen.


Piet Beishuizen

Psalm 12

De dichter begint te vertellen dat de vroomheid in het land is verdwenen en er nog weinigen zijn die de waarheid spreken. Ze beliegen elkaar en spreken dubbelhartig. De grootsprekers denken dat ze met hun grote mond sterk zijn in hun communicatie en iedereen de baas kunnen zijn met hun woorden. Is hierin een parallel te zien met de grootsprekers in onze tijd? De dichter hoopt echter dat God ze de mond zal snoeren. En dan in vers 6 brengt de dichter de woorden van God over, die zegt dat Hij uitredding zal brengen voor de onderdrukten en de
armen. En die woorden zijn niet zomaar zegt de dichter, nee: ze zijn zuiver als zilver en zevenmaal gelouterd in de smeltkroes in de aarde, alsof hij wil zeggen: je kan er op rekenen. En hij besluit zijn gedicht met de woorden dat de goddelozen nog mogen ronddraven in hun boosheid, maar dat God zijn belofte gestand zal doen en de beschermer zal blijven.

Wat is het belangrijkste gebod

De vraag van de schrift geleerde en het antwoord van Jezus hierop is opgetekend in Marcus 12 : 28-34. De schrift geleerde had geluisterd naar de gesprek over de opstanding tussen Jezus en de Sadduceeën en vond dat Jezus hen goed had geantwoord. En hij stelde Jezus de volgende vraag: ‘Wat is het belangrijkste gebod?’ Waarop Jezus antwoordde met de woorden uit Deuteronomium 6 : 4-5: ‘Hoor Israël! De Heer is onze God, alleen de Heer. Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en heel uw ziel, met heel uw verstand en met inzet van uw krachten’ en hij voegde hieraan toe: ‘en het tweede gebod is: heb uw naaste lief als uzelf’, waarbij hij de woorden uit Leviticus 19:18 aanhaalde. En Jezus besluit met de woorden: ‘een belangrijker gebod dan deze twee is er niet’. In de verzen 32 en 33 beaamt de schrift geleerde dit met zijn eigen woorden: ‘de Heer is de enige God en hem liefhebben is veel belangrijker dan het brengen van offers’. Met dit laatste komt de uitspraak van Micha naar voren, waarin de profeet op de vraag van het volk welke offers moeten worden gebracht, antwoordt: ‘Het is u heel duidelijk gezegd wat goed is en wat de Heer van een mens verlangt. Dit alles vraagt hij: houd u aan het recht, blijf altijd trouw en ga in alles bij uw God te rade’. (Micha 6:8) 


Dit schrift gedeelte wordt besloten met de woorden van Jezus dat de schrift geleerde niet ver is van het koninkrijk van God. Je dus houden aan de geboden van de enige God. In dit verhaal gaat het dus over een vraag van een schrift geleerde; in het overeenkomstige verhaal in Mattheüs (23:34-40) vertelt de evangelist dat de wetgeleerde Jezus in de val wil lokken met de vraag naar het grootste gebod. In mijn optiek heeft het verhaal daar een anti joodse strekking. 

Piet Beishuizen

Psalm 41

De dichter van deze psalm begint met het schetsen van een leven van een mens, die acht slaat op de zwakke in de samenleving. God zal hem dan ook
beschermen en gelukkig maken en niet overleveren aan zijn vijanden. Zelfs op zijn ziekbed zal de ENE hem nabij zijn.
Dan in vers 5 gaat de dichter over naar zijn eigen situatie. Op zijn ziekbed zegt hij dat hij tekort is geschoten en vraagt hij God hem genadig te zijn. Vervolgens schetst hij hoe zijn vijanden ( zij die hem niet goed gezind zijn) zich afvragen wanneer hij zal sterven en zijn naam zal worden uitgewist. En degene die hem nog opzoekt is een huichelaar, spreekt mooie woorden, maar eenmaal buiten, spreekt hij kwaad over mij. Een dodelijke kwaal heeft hem geveld en hij zal niet meer opstaan. Zelfs zijn beste vriend, met wie hij het brood deelde, laat hem in de steek.
Na deze opsomming van dingen die hem worden aangedaan (vers 11) vraagt hij God nogmaals om genade, hem te helpen op te staan en om zijn hem vijanden er van langs te geven. Hij wil dus het kwaad dat hem is aangedaan met behulp van God vergelden. En als ze dat voelen, zullen ze weten dat God van hem houdt. Zag hij zich eerder als een schuldig mens (5), na zijn actie tegen zijn vijanden ziet hij zichzelf als onschuldig en vraagt hij God dat hij voor goed in zijn nabijheid mag verblijven.
De psalm verhaalt hier dat kwaad met kwaad wordt vergolden en dat degene die het laatste kwaad doet onschuldig zou zijn. Het doet mij denken aan de
Israël – Gaza situatie, waarbij de proportionaliteit mijn inziens volkomen zoek is en waarbij ik de staat Israël niet als onschuldig zou willen
zien.
De psalm sluit af met een lofprijzing die aan het eind van elke groep van psalmen is opgenomen; psalm 41 is de laatste van de eerste groep (1-41). Deze indeling is later gemaakt aan de hand van dezelfde lofprijzing.

Piet Beishuizen

Psalm 54

Vers 2 van deze psalm geeft aan dat deze werd gedicht toen de mannen uit Zif aan Saul gingen vertellen dat David zich bij hen schuilhield.

Deze geschiedenis is terug te vinden in 1 Samuël 23 : 19 – 28. Een geheel ander verhaal over deze zelfde episode is opgetekend in 1 Samuël 26. De eerste verzen staan in het teken van de vraag om bevrijding en recht verschaffing.

Wat mij aansprak was de Willibrord vertaling van vers 4b. Alle andere vertalingen gebruiken hier woorden als ‘hoor de woorden van mijn mond’ terwijl de W vertaling hier zegt ‘hoor wat ik tracht u te zeggen’. Misschien niet de juiste vertaling, maar het geeft wel aan dat het soms moeilijk is ‘wat te bidden en hoe te bidden’. Het gestructureerde bidden van weleer is voor mij soms een warrig gesprek geworden.

Nadat de dichter heeft verteld dat vijanden het op hem gemunt (5) is hij ervan overtuigd dat God hem zal helpen (6 en 7a) om vervolgens om de vernietiging van zijn belagers te vragen. (7b). Als dank wil de dichter offers brengen (8). In de meest bron getrouwe vertalingen (S en NB) komt het woord ‘vrijwillig’ voor. Het suggereert dat de dichter hier iets extra’s wil doen, naast de verplichte offers zoals bij de besnijdenis van een zoon. De psalm sluit af met de blijdschap dat God hem heeft gered en dat hij op zijn vijanden kon neerzien.

Piet Beishuizen

Psalm 48

Deze psalm ademt een lofzang over God en over de berg Sion, daar waar hij woont. Daar opent de psalm mee in de eerste verzen. En daarom zijn de mensen die daar wonen ook veilig en beschermd. Na deze woorden komt in vers 3 een moeilijke tussenzin voor, namelijk de woorden over de berg in het noorden. In de NBV en de NB wordt vertaald: de Sionsberg met de flank(en) op het noorden; in de Statenvertaling staat: aan de zijden van het Noorden. Noorden met een hoofdletter; wil dat zeggen dat die berg ver weg ligt en dus niet de Sionsberg is? De NBG accentueert dat door te vertalen: ver in het Noorden.
In de GN vertaling lezen we: die machtige berg daar in het noorden. In een noot wordt geschreven dat de Sionsberg hier wordt vergeleken met een majestueuze berg ten noorden van het oude Ugarit, de godenberg van de Kanaänieten.
In de volgende verzen (4-6) brengt de dichter het strijdtoneel rond de Sionsberg naar voren. De koningen (de vijand) komen wel gezamenlijk ten strijde naar bij de berg, maar deinzen af bij het zien van de berg en nemen verbijsterd de vlucht. De angst van hen wordt omschreven als de krampen van een barende vrouw. Een omschrijving
die de profeet Jeremia ook gebruikt in de soortgelijke situaties, zoals de inwoners van Jeruzalem bij de belegering van de stad (Jeremia 6:24), de inwoners van Damascus (49:24) en de koning van Babel, wanneer God het oordeel over Babel afkondigt (50:43).
In vers 9 wordt vermeld dat de mensen nu meemaken wat hen is verteld (door de voorouders ?) dat God in de stad woont en daar voor eeuwig zal blijven.
Dan vervolgt de dichter met in een aantal verzen (10-12) te spreken over de goedheid van God. De manier waarop God zijn macht in dienst stelt van het heil van Israël en zijn volk redt van het geweld van de tegenstanders, en hij besluit met de woorden dat de Sion zich verheugt en de steden in Juda juichen. De aanduiding dat de steden
juichen komt alleen voor in de vertalingen van GN en NBV. De andere vertalingen o.a. S en NB schrijven hier dat Juda’s dochters juichen. Dat zou dan maar een deel
van de inwoners van de steden zijn. De dichter zal ongetwijfeld hiervoor een reden hebben gehad, maar welke? Dan richt de dichter zich weer tot de lezers (13-15). Trek maar eens rondom de Sion en tel de torens, bewonder de muren, kijk naar de vestingen en vertel dan aan het nageslacht: ‘Zo is God, onze God, nu en altijd, hij is het die ons leidt, voor eeuwig’ (NBV en GN). Dat leiden voor eeuwig zie ik als een doorgaand iets voor alle geslachten. In andere vertalingen S en NBG lees je dat God dat zal doen voor ons tot de dood toe. Dus niet in tegenspraak met de vorige. In W en NB staat dat God ons zal leiden tot over de dood. Moet ik hier lezen dat God ons zal helpen bij het sterven of is hij er ook na het sterven. Een gedachte die niet in overeenstemming is met de joodse leer of met de gedachte van de opstanding die later in de joodse leer kwam. Dus blijven deze laatste vertalingen wat vreemd voor mij.


Piet Beishuizen

Psalm 46

In deze korte psalm wordt de grootheid van God in een lied - in drie keer drie verzen - naar voren gebracht, zowel in de natuur als in de werken van mensen. De eerste drie gaan over het geweld dat de natuur teweeg kan brengen, maar de mens hoeft niet bang te zijn omdat God een toevlucht is, kracht geeft en redt in de nood. Het tweede drietal gaat over de stad Gods, Jeruzalem.

Er loopt een rivier door de stad, die uitmondt in beekjes en God is zelf in de stad en daarom zal de stad niet vallen. God zal bij een aanval te hulp snellen en dan lijkt de aarde te vergaan en volkeren zullen sidderen en koninkrijken wankelen. Dat er een rivier door de stad stroomt is een toekomstbeeld want in werkelijkheid is er alleen een bron die de stad van water voorziet.

Dit toekomstbeeld wordt uitgebreid besproken door de profeet Ezechiël (47:1-12) en ook genoemd door de profeten Joël (4:18) en Amos (9:13-15) als beelden van de eindtijd. In het Nieuw Testament wordt dit ook nog eens herhaald (Openbaringen 22:1-2). Het derde drietal verzen gaat over
de activiteiten van mensen en hoe God daar een rol in speelt.

De dichter begint met te zeggen: kom en zie welke ontzettende dingen de ENE op aarde heeft gedaan (W, NBV, NB), de aarde verwoestend (S,NBG) en oorlogen heeft aangericht (GN).

Deze vertaler heeft zich waarschijnlijk laten inspireren op de volgende verzen (10 en 11), waarin de macht van de ENE wordt gedemonstreerd, die de oorlogen stopt, de bogen breekt, de lansen verbrijzelt en de strijdwagens verbrandt. Als we dat nog eens mochten meemaken, het stoppen van oorlogen en geweld. Wordt hier door de dichter een utopisch beeld geschetst?


Het laatste tweetal van drie verzen wordt afgesloten met dezelfde woorden: De HEER van de hemelse machten is met ons, onze burcht is de God van Jakob. De Willibrord vertaling voegt die ook toe aan het eerste drietal, alhoewel dat niet in de oorspronkelijke tekst voorkomt.

Piet Beishuizen

Psalm 13

Psalm 13 is een klaagpsalm; in een aantal verzen (2-5) vraagt de dichter zich af hoelang het nog moet duren dat God hem vergeet. Dat God zijn gelaat verbergt voor hem. Hij
moet zijn leven moederziel de hele dag maar alleen dragen en zijn vijand overmant hem. Kijk toch, Heer, zo zegt hij, want ze mij aandoen; antwoord mij toch op mijn vragen. Ze juichen als ik wankel. Toch blijft de dichter hier niet bij, want in het laatste vers (6) van deze psalm hervind hij zijn vertrouwen op God; hij zal zingen omdat God toch redding zal brengen in deze benarde situatie. Voorwaar een mooi slot na het klagen van de dichter, hij ziet toch nog een toekomst.

Piet Beishuizen

  1. Psalm 147
  2. Psalm 116
  3. Psalm 108
  4. Psalm 34

Pagina 1 van 5

  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • ANBI
  • Veilige Kerk
  • Privacy verklaring (AVG)
  • Organisatie

Wijdekerk

  • redactie@pggweb.nl
© 2026 Protestantse Gemeente Geldrop - Mierlo
logo protestantse kerk logo protestantse kerk
Inloggen
  • ⌂
  • Over ons
    • 't Kruispunt
    • Pastoraat
    • Diaconie
    • ZWO
    • Kerkenraad
    • Samenwerkingen
  • Handig
  • Bezinning
    • Pastorale klank
    • De Psalmen
  • Zoeken
  • Contact
  • Agenda
  • redactie@pggweb.nl