TENT

Nu voor de meesten van ons de vacantie voorbij is, is het ook de tijd om de spullen van de vacantie weer op te bergen. Hebt u de tent al weer schoongemaakt, en opgevouwen, en de tentpalen bij elkaar gezocht, om hem op zolder neer te leggen? Of wellicht hebt u de caravan naar de opslag plaats gebracht, waar hij de winter netjes kan doorbrengen, zonder dat de weersomstandigheden problemen geven. Bij het opbergen van de tent, of het schoonmaken van de caravan, vind je weer allerlei kleine dingen, toegangskaartjes, spulletjes, een sok, die allerlei herinneringen oproepen, en die een glimlach brengen. Het zijn verwijzingen naar die vacantie, verwijzingen naar de plaats waar je bent geweest. Maar als dat dan ook is opgeborgen, dan is de vacantie definitief voorbij. De tent maakt duidelijk, het is tijdelijk geweest, de vacantie was leuk, maar is weer voorbij. Nu moeten we weer verder.

Het boek Exodus is het boek van onderweg zijn door de woestijn. Het volk Israël was op reis, en ze hadden tenten bij zich, om in te wonen. Die konden ze neerzetten, maar ook weer opbreken als ze verder gingen. Een bijzonder is verhaal is de tent van samenkomst, ook wel tabernakel genoemd. In de hoofdstukken Exodus 25 en volgende wordt zeer gedetailleerd verteld over die tent. Alle materialen worden uitvoerig beschreven. Een voorhangsel van blauwpurperen, roodpurperen en karmozijnrode wol en getwijnd linnen garen, palen van acaciahout overtrokken met goud, en zo gaat dat nog hoofdstukken lang verder. Grote rijkdommen en kostbare materialen, het schittert en blinkt aan alle kanten. Het is allemaal prachtig, mensen hebben daar erg hun best voor gedaan, maar we mogen nooit vergeten dat het een tent is. Een tijdelijk onderkomen. Hij is weer op te breken en ergens anders weer neer te zetten. Dit zegt iets over de manier waarop het volk omgaat met geloof, omgaat met bidden en met het eren van God. Mensen doen daar hun uiterste best voor, geven, hun energie en talent ervoor, maar ze zijn zich ook bewust, het is een onderkomen, dat we ook weer gaan opbreken. Er komt een moment, dat we weer verder zullen gaan. Het zegt ook iets over God zelf. God is niet vast te leggen, in vaste patronen, of in een vast onderkomen. God gaat mee met de mensen, gaat mee op reis, door die woestijn, God gaat het volk overdag voor in een wolkkolom, en ’s nachts in een vuurkolom. Dat is de manier waarop Hij aanwezig wil zijn.

Het volk is onderweg door de woestijn, God gaat met ze mee, en het gaat mis, in Exodus 32, als het volk God zelf wil vastleggen, en ze aan Aaron vragen, wij willen een God, die we kunnen zien, een God, waar we wat aanhebben, en niet zo’n vage en onduidelijke God. Dan gaan ze het gouden kalf maken. Dan zien we dat deze twee naast elkaar staan, die tent, waar zoveel vaklieden hun best hebben gedaan, en waar zoveel kostbare materialen in zijn verwerkt, en daarnaast staat dat gouden kalf, ook gemaakt door vaklieden ook van kostbare materialen. Wat is het verschil? Het is verschil is dat die tent, een tijdelijk onderkomen is, terwijl dat gouden kalf, God wil vastleggen.

In de kerk doen wij met ons allen ons best. Wij geven onze talenten, wij geven ons vakmanschap, en onze krachten. Maar bij dat alles kunnen we God niet vastleggen. God is niet te vangen, niet in een beeld, en ook niet in een gebouw. We kunnen hoogstens een plek maken, waar we onszelf thuis voelen, waar we met elkaar kunnen schuilen. Maar waarvan we heel goed weten, er komt een moment dat we weer verder moeten. Dat we moeten opbreken. Maar de troost is, als wij opbreken, gaat God met ons mee. God is groter dan welk menselijk onderkomen dan ook, God gaat verder dan datgene wat mensenhanden kunnen maken.

Mirjam van Nie