De psalmen bieden een bloemlezing van religieuze lyriek uit het oude Israël; ze zouden voor het overgrote deel zijn geschreven tussen 1000 en 500 voor onze jaartelling. . De psalmen worden toegeschreven aan verschillende personen, waarvan vele aan David, maar daar is geen bewijs voor.
Ook in het christendom hebben zij eeuwenlang een belangrijke plaats ingenomen in de beleving van de religie. Dit is mijns inziens in belangrijke mate toe te schrijven aan de berijming van deze gedichten. Ze konden daardoor in elke bijeenkomst worden gezongen.

Dit is een gedicht waarvan het eerste woord van elke regel gerelateerd is aan het Hebreeuwse alfabet. Het is een persoonlijk gebed van de dichter om bescherming en de vraag aan God om de juiste weg. Soms worden de woorden van de persoonlijke relatie afgewisseld door teksten over die relatie met een algemene strekking. In het verleden werd de berijming van deze psalm heel vaak gezongen in de kerk

In deze psalm verwoordt de dichter een nauwe relatie tussen hem en God, een zodanig nauwe relatie, dat die hem benauwt en hem doet vluchten, om daarna in te zien dat dit niet helpt en dan toch weer terugkeert tot het beschrijven van die relatie.
In eerste perikoop (1-6) komt een voor mij benauwende relatie naar voren tussen God en de dichter. De dichter ziet dat niet zo, hij beschrijft die relatie en heeft daar geen moeite mee. God doorgrondt hem, weet wat hij doet, werkt of rust, wat hij denkt en wat hij wil gaan zeggen. God weet van het uiterlijk en het innerlijk van de mens; de verzen 1 - 4. Maar de dichter ervaart ook de nabijheid van God als een geborgene (vers 5); God is hem nabij, God legt zelfs zijn hand op hem. Het is een mooi beeld om zo vertrouwt door het leven gaan en dan volgt in vers 6 dat dit alles hem te wonderbaar is; hij kan het niet begrijpen.

‘Het ruime hemelrond vertelt met blijden mond Gods eer en heerlijkheid’. Deze woorden van het eerste vers van de oude berijming van deze psalm roepen bij mij altijd iets op van de grootsheid van de schepping en wie ben ik die daarin past. Het leek mij daarom goed om deze psalm eens nader te bekijken.
De psalm bevat drie stukjes tekst die elk een aspect van het leven van de mens belichten. Allereerst besteedt de dichter aandacht aan de schepping; wat heeft God gedaan (2-7), vervolgens gaat het over de relatie tussen God en de mens; wat heeft God gezegd (8-11) en tenslotte verschijnt het individu ten tonele; een gesprek tussen God en het ik (12-15).

Bij de overdenking van psalm 42 is reeds aangegeven dat psalm 43 oorspronkelijk één geheel vormde met psalm 42. De bewoordingen van 43 sluiten aan met die van 42 en ook het refrein van 42 wordt herhaald in psalm 43. Het waarom van deze splitsing heb ik niet kunnen terugvinden. In de ‘Bijbel literair’ wordt alleen vermeld dat er oorspronkelijk sprake was van 148 gedichten – ook psalm 9 en 10 – horen bij elkaar.  

Aan het begin van deze psalm staat dan ook niet dat deze wordt toegeschreven aan een persoon of groep van personen zoals dat voorkomt bij de andere psalmen.

In mijn beleving was deze psalm één van de eerste die je moest leren op de Lagere School; het waarom hiervan staat mij niet meer voor de geest. De berijming hiervan was gemakkelijk te zingen en misschien was dat de reden.
Het is een lied waarin de nauwe relatie tussen God en de dichter wordt uitgesproken. Het verlangen naar God wordt tot uitdrukking gebracht in de herinnering aan het tempelbezoek. Ver weg van de tempel blijft de liefde van God aanwezig. In de noordelijke bergen, op grote afstand van Jeruzalem, wanneer de natuur overweldigt, blijft God een toevlucht voor de mens.

Deze psalm, een gebed, komt uit de bundel van David; heeft echter geen betrekking op het auteurschap van hem, maar behoort tot de verzameling van liederen die zijn naam droeg. In dit gebed toont de dichter zich als een god zoeker. Hij vraagt of God hem nabij wil zijn, wil uitredden, beschermen. Want hij is toch een dienaar, maar voelt zich soms hulpeloos. En tussen alle vragen door wisselt hij deze af met het prijzen van de grootheid en goedheid van God.

Deze psalm is voor mij één van de meest bekende, omdat deze altijd bij hoogtijdagen in ons gezin, daar waar ik als kind opgroeide, werd voorgelezen. Het was reeds een traditie die in het gezin van mijn grootouders aanwezig was. In deze psalm komt een veelheid van situaties in het leven van een mens voor.
De eerste twee verzen geven een lofprijzing weer vanuit de auteur en kunnen door de lezer worden overgenomen. Na deze lofprijzingen worden in de volgende drie verzen (3-5) de gunsten van God die hij aan de mens verleent, naar voren gebracht. Vers 3 opent positief; God vergeeft datgene wat niet goed is in mij; mijn ongerechtigheden (een wereld van gedachten), mijn fouten en mijn schuld. Daarbij wordt de mens ook nog eens genezen van zijn krankheden, kwalen of ziekten.

Dit is één van de bekende psalmen, die vroeger veel werd gezongen in de kerk en die je op de lagere school als één van de eerste moest leren.
Na het openingsvers wordt in deze psalm het verlangen naar voren gebracht om in het huis van God, de tempel te zijn, ja daar zelfs te wonen; tegelijk met de vogels, die daar hun nest bouwen (verzen 2-5). Vervolgens worden enkele verzen gewijd aan de pelgrimage op weg naar de tempel. Daarna gaat de psalm, vers 9 e.v. over in een gebed voor de koning en de wens om in de tempel te mogen zijn. De wens om daar God te ontmoeten staat centraal in deze psalm.

In deze psalm wordt de functie van de herder naar voren gebracht en het vertrouwen uitgesproken om zich geheel en al toe te vertrouwen aan die herder. Hiermee wordt een beeld gegeven van Gods leiding, bescherming en zorg voor het individu, maar ook voor het volk Israël. In die situatie is de herder dan het beeld van de rechtvaardige koning en de kudde het beeld van het volk, zoals dat in psalm 95:7 wordt verteld ‘Hij is onze God, wij zijn zijn volk; hij is de herder, wij zijn de kudde’. Het beeld van de herder en de kudde wordt in veel psalmen naar voren gebracht.