Psalm 61

De dichter begint (2,3) met het vragen van aandacht van God omdat hij zich ver van het centrum van de veiligheid vandaan voelt en ook is. Situeren de oudere vertalingen (S en NBG) hem nog aan het einde van het land, naar mijn idee dan suggererend, de grens van het land van inwoning, de andere vertalingen hebben hier vertaald aan het einde van de aarde. Daarmee aangevend een balling te zijn in de vreemde, hetgeen toch iets anders is dan nog in het eigen land te verkeren en in nood zitten.

Vervolgens vraagt hij God hem op de rots te brengen omdat hij dat zelf niet kan. Die vraag is noodzakelijk omdat in vers 4 de vijand op de proppen komt en dan moet God toch een schuilplaats kunnen bieden, zoals dat in het verleden altijd is geweest. En in het volgende vers wordt dat nog eens veel sterker naar voren gebracht. Hij wil voor altijd in de tent van God wonen en daar als gast vertoeven en zich geborgen weten onder de vleugels van God; een beeld van de liefdevolle zorg van God.
De dichter grondt dit ook omdat hij beloften aan God heeft gedaan (6) en dat God het erfgoed, de zegeningen uit Deuteronomium 28:2-14, geeft aan ieder die hem vreest.

Na deze persoonlijke verzen gaat de dichter verder met een gebed voor de koning. Was hij nog steeds ver weg of is hij al weer terug in het land of in de nabijheid van de koning. De vertalingen S en NBG geven meer aanleiding de verzen 7 en 8 te begrijpen dan de andere vertalingen die de dichter aan het einde der aarde situeert en dus ver van de koning verwijderd. In ieder geval is zijn bede dat de koning en het nageslacht van de koning lang – alleen S en NB spreken van eeuwig – zal regeren. Hierbij wordt de wens uitgesproken dat hij een goed koning zal zijn en dat God hem hierbij zal helpen.

De psalmist sluit zijn gedicht af met een persoonlijke belofte, namelijk dat hij dag aan dag zal zingen voor God. Is dit de belofte die hij in vers 6 reeds heeft genoemd?

Piet Beishuizen