Psalm 130

Deze psalm is één van de vijftien pelgrimsliederen (120-134). Men neemt aan dat deze liederen gezongen werden tijdens het opgaan naar Jeruzalem ter gelegenheid van de drie grote feesten, zoals deze op verzoek van God zijn ingesteld (Exodus 23:14-17).

Het begin van de psalm (1-4) is toch meer een smeekgebed dan een pelgrimslied, zo lijkt mij. In de verzen 5 en 6 spreekt de dichter zijn vertrouwen uit naar God en in de laatste verzen (7 en 8) zegt hij tegen zijn volk dat zij dat ook moeten doen.
Volgens een noot bij vers 1 in Groot Nieuws is 130 één van de zeven boetpsalmen en gezien de tekst lijkt dit een betere aanduiding dan een pelgrimslied.

De dichter begint met te stellen dat hij in de put zit en daarom God om hulp smeekt. Hij vraagt God te luisteren, ja aandachtig te luisteren. De dichter vraagt dus of God zich zo opstelt dat Hij alle aandacht aan de smekeling geeft. In de oudere vertalingen wordt niet expliciet aangegeven waarom de dichter smeekt (S en NBG en ook GN). De nieuwere vertalingen voegen iets toe, namelijk smeken om erbarmen (W) en genade (NBV en NB).
In de verschillende vertalingen ziet de dichter de relatie tussen God en de ongerechtigheden, zonden, fouten in vers 3 niet gelijk. Gadeslaan (S) en acht slaan (GN) is toch iets anders dan onthouden (NBG en W), gedenken (NBV) en bewaken (NB). Het laatste komt zwaarder over; God houdt het bij zich, terwijl de eerste vertalingen toch iets meer ademen dat het aan God toch uiteindelijk voor bij gaat.

In vers 4 stelt de dichter dat er bij God de vergeving van die ongerechtigheden bestaat. Bij die vergeving is het wel noodzakelijk dat men ontzag heeft voor God; dat men God moet vrezen. Vragen om vergeving moet dus gelijk opgaan met ontzag opkijken naar God.

Na het smeekgebed gaat de dichter verder door alle hoop op God te vestigen, waarbij de vertalingen dat de dichter ‘wacht’ (oudere vertalingen) toch iets passiever overkomen dan ‘uitzien’ naar de Heer. In dit vers (5) brengt de W vertaling iets in wat niet in het Hebreeuws staat, namelijk uitzien naar de ‘belofte’. Gezien de andere vijf vertaling die spreken van ‘uitzien naar het woord’, zal dat wel in het oorspronkelijke staan.
In vers 6 zet de dichter zijn woorden kracht bij door te zeggen dat hij met meer verlangen uitziet naar de Heer, dan de wachters (nachtwakers) op de morgen en dat wordt ook nog eens herhaald.

In de laatste twee verzen (7 -8) van deze psalm richt de dichter zich tot Israël, dus tot het volk met de woorden dat zij op God kunnen vertrouwen. Er wordt gesproken van verlossing van alle ongerechtigheden. Niet wordt aangegeven welke tekortkomingen van het volk de dichter hier voor ogen had. Maar wat het ook moge zijn, vertrouw er op dat het God gaat om vriendschap en dat er veel verlossing is. Gods genade is overvloedig en altijd weer. Voorwaar een mooi besluit van de dichter.

Piet Beishuizen