Aangegeven wordt dat deze psalm de eerste is van de vijftien pelgrimsliederen (120-134). Men neemt aan dat deze liederen gezongen werden tijdens het opgaan naar Jeruzalem ter gelegenheid van de drie grote feesten, zoals deze op verzoek van God zijn ingesteld (Exodus 23:14-17).
Als ik de beginregels van deze psalm lees roept die in eerste instantie niet de herinnering aan een pelgrimage op gezien de beginwoorden om de vraag aan God de tegenstanders te bestraffen met straffen die niet mals zijn.

Althans dat lees ik in de GN vertaling (vers 3). In de andere vertalingen komt een ander beeld naar voren; namelijk dat sprake is van een relatie tussen de dichter en uitingen via lippen en tong. Als je de vertaling van GN aanhoudt zou je hierin (liegende lippen een bedrieglijke tong) de uitingen van de tegenstanders kunnen zien. Maar als je de andere vertalingen aanhoudt zou je kunnen denken aan de eigen lippen en tong? Dan kan je ook vragen om redding van je eigen slechtheid.

In de slotverzen vertelt de dichter dat hij woont in Mesech of bij de tenten van Kedar. Gezien de ligging van beide plaatsen – Mesech in Klein-Azië tussen de Kaspische Zee en de Zwarte Zee en het tentenvolk van Kedar in de Arabische woestijn – zou hij wel erg grote omzwervingen moeten hebben gemaakt. Alleen de GN vertaling zegt dat het is alsof hij daar woonde (vers 5).
De stam Kedar waren nakomelingen van Ismaël (Genesis 25:12 -13). Wellicht ligt hier ook een relatie tussen Jesaja 21:16-17, waarin sprake is van een volk van befaamde boogschutters, en vers 4 van deze psalm.

Het is wel zo dat de dichter leeft temidden van tegenstanders (vers 6) die vrede haten en dat hij wel vrede wil (vers 7). Het is niet duidelijk of het hier gaat om mede landgenoten, die iets anders willen dan de dichter of dat hij inderdaad in een ander land verkeert.
Al met al vind ik het een moeilijke psalm om te begrijpen en komt bij mij helemaal niet over als een pelgrimslied.

Piet Beishuizen