Psalm 138

Bij het doorbladeren van het boek van de psalmen werd ik getroffen door het kopje boven deze psalm in Groot Nieuws, namelijk ‘U houdt mij in leven’ en het leek mij goed deze eens te bestuderen. Bij het bekijken van de berijmde psalm kwamen meer herinneringen op, Door het niet meer vaak zingen van psalmen in de kerkdienst raak je de tekst gauw kwijt. De psalm begint (1-3) met de ik/mij vorm en sluit (7-8) daar ook mee af; in een tussengedeelte (4-6) wordt de wij/ons vorm gebruikt. Daarom bespreek ik deze psalm in drie stukjes.

De dichter begint met te stellen (vers 1) dat hij God zal danken (de oorspronkelijke vertalingen) c.q. dat hij God wil danken (de modernere vertalingen), waarbij het zullen iets dwingender overkomt dan het willen. Dat gaat hij doen (zingen/ musiceren) in de tegenwoordigheid van de goden. In een noot bij Groot Nieuws wordt hierbij aangetekend dat men waarschijnlijk hierbij zou moeten denken dat de goden tot de hemelse hofhouding behoren. Deze aanduiding komt in meer psalmen voor, zoals in 29:1, 82:1 en 89:8 en ook nog op andere plaatsen in de Schrift. Ook in andere bewoordingen als raad der engelen, de goden van de andere volkeren, etc.
Dan buigt de dichter (vers 2) zich naar Gods paleis/tempel/heiligdom om Gods naam te loven en te danken voor de trouw en de vriendschap. Het tweede gedeelte van dit vers wordt zo verschillend vertaald dat het moeilijk wordt om te verstaan wat precies is bedoeld. Wat wordt toegezegd en groot gemaakt door God? Zijn naam (GN en NB) of zijn woord (S), toezegging (NBG), belofte (W) of grote dingen (NBV). Kennelijk is het Hebreeuws in dit verband moeilijk te interpreteren.
De dichter sluit dit stukje af met de woorden dat: toen hij God aanriep, hem kracht had gegeven en ruimte voor hem had geschapen; dit is een verblijdend vooruitzicht.

Na deze intro tussen de dichter en God brengt hij in het volgende vers (4) plotseling de koningen der aarde ter sprake die God moeten gaan loven om de beloften die God doet. Hij brengt hiermee zijn opgebouwde relatie met God in de eerste drie verzen van het particuliere naar het universele. Hierbij wordt door de dichter niet stilgestaan bij het feit dat zijn ervaring niet één op één kan overgaan op anderen.
Bij dit vers doet zich naar mijn mening ook iets bijzonders voor, namelijk dat de dichter de volkeren uitnodigt zich te wenden tot de God van Israël en daarmee de idee van de eigen stamgod te verlaten. Die God zou dus de god van alle volken zijn. In de praktijk is daar toen niets van terechtgekomen.
In het volgende vers (5) gaat de dichter verder door te stellen dat de koningen de glorie en grootheid van God zullen bezingen en in vers 6 zegt de dichter dat God zo hoog/verheven  is dat hij de nederige aan ziet en de hoogmoedige van verre herkent. Dus niet ondanks dat God hoog verheven is, maar omdat Hij hoog verheven is kent hij de mensen. Dit laatste geeft een grotere betrokkenheid van God, niettegenstaande afstand. De dichter zegt dat God de nederige mens milder beschouwt dan de hoogmoedige mens, maar toch laat uitkomen dat God die mens niet uitsluit. Die mens zou wel moeten weten dat God hem doorziet als een hoogmoedige en zou daaruit zijn conclusies kunnen trekken.

In de twee laatste verzen (7 en 8) keert de dichter weer terug bij zichzelf en spreekt van een benauwende situatie waar hij door heen moet, maar desondanks houdt God hem in leven. Voorts zegt hij dat God zijn hand uitstrekt tegen zijn vijanden en zal de vijanden dus tegen houden. Het begin van vers 8 is in de oorspronkelijke vertalingen (S, NBG en NB) een moeilijke: ‘De Here zal het voor mij voleinden’; wat is de inhoud van het woord ‘het’ en het woord ‘voleinden’?. Is dat die aanval van de vijanden en de benauwenis die voorbij gaan?
W is ook niet duidelijker met: ‘De Heer voltrekt het voor mij’. GN en NBV laten mijns inziens de verbinding met het voorgaande los door te vertalen: U blijft voor mij zorgen (GN) en de Heer zal mij altijd beschermen (NBV). Dit is duidelijke taal, maar dat staat dus niet in de Schrift. Het is een interpretatie van dat tekstgedeelte.
Daarna zegt de dichter dat de liefde van God voor altijd is (eeuwig). Het slot van dit vers zijn de bekende woorden: Laat niet varen de werken van uw handen (S, NBG, W en NB). De NBV vertaling omzeilt het woord ‘varen’ door te vertalen ‘niet loslaten’. De GN vertaling is op dit punt ongeveer hetzelfde, maar vertaalt ‘het werk’ met ‘U heeft mij gemaakt’. Hiermee wordt het gezegde echter verengd tot de persoon van de dichter. De werken van Gods handen omvat echter veel meer dan de schepping van de mens.

Piet Beishuizen