In dit eerste stukje tekst gaat het over het lijden van het volk in oorlogstijd en de tekst lijkt weer te geven dat de oorlog woedt op eigen terrein blijkens de volgende verzen.
De psalm gaat in vers 3 verder door aan te geven dat het volk voelde dat God hen verstoten én gebroken had en dat Hij zijn woede over hen had uitgestort. Dat was nogal wat en zij zaten in zak en as en vroegen om opnieuw een relatie met God. In vers 4 wordt de toorn gevoeld op het land, het werd gescheurd en gespleten (door oorlogsgeweld?). Of moet dit symbolisch worden gezien als een herhaling van het vorige vers? Het land kan namelijk moeilijk wankelen (2e helft van vers 4). Ook nu wordt gevraagd om herstel van de schade.

In vers 5 keert de dichter weer terug naar het 3e vers. God heeft het volk zwaar getroffen en de wijn was bitter om te drinken. De vraag om herstel wordt nu niet in hetzelfde vers gedaan, zoals in 3 en 4,  maar in het volgende vers (6).
Tot slot wordt in vers 7 opnieuw gevraagd om bevrijding en om een antwoord van God. Omdat het in de eerste verzen over het ons gaat, sluit de dichter af met die vraag voor de beminden of geliefden van God.
In de Statenvertaling lees ik dat de dichter (David?) de volgende woorden van de tekst (8-12) uitspreekt en ook in de NBG en W vertaling ga ik nog mee in die gedachte. Bij lezing van de andere drie vertalingen wordt duidelijk aangegeven dat het God is, die de woorden van de verzen 8-10 uitspreekt en dat daarna in vers 11 de dichter weer verder gaat. God juicht bij alle acties die door hem worden uitgevoerd.
In een noot zegt GN hierover het volgende: God spreekt als een strijder die de overwinning heeft behaald en het veroverde gebied verdeelt onder zijn volk.

Sichem en Sukkoth zijn oude Kanaänitische steden, en de gebieden Gilead en Manasse staan voor het hele veroverde land aan weerszijden van de Jordaan. EfraÏm en Juda, de belangrijkste stammen in de geschiedenis van Israël, zijn werktuigen van Gods heerschappij.  
Dit geeft de betekenis van de vers 8 en 9 weer. In vers 10 gaat God nog verder door de omliggende volken in minder fraaie bewoordingen er bij te betrekken. Moab wordt vergeleken met een waskom en op Edom wordt de sandaal gegooid. In het Midden-Oosten een teken van verachting. GN en NBV vertalen hier anders, namelijk dat God zijn voet, als teken van bezit, op Edom zet, hetgeen dus niet juist vertaald is. Dit roept een beeld van onderwerping op, terwijl het werpen van de schoen het beeld oproept van: ik zie je niet staan of je bent me te min. In het derde stukje van vers 10 worden tegengestelde beelden opgeroepen. In de vertalingen S en NBV is vertaald dat de Filistijnen worden uitgenodigd over God te juichen en in de andere vertalingen dat God juicht over hen.

In vers 11 gaat de dichter (David ?) weer verder met de vraag wie hem zal helpen om de vesting te nemen (het is niet duidelijk welke vesting) en wie hem helpt om Edom te veroveren. In vers 12 wordt God aangesproken om, ondanks dat Hij het volk had verstoten (vers 3), toch aan het hoofd van de legers op te trekken. In  vers 13 wordt Gods hulp ingeroepen, want de hulp van mensen is ijdel; d.w.z. dat het alleen God is die hen kan helpen en dat er niet vertrouwt moet worden op bondgenootschappen met andere volken. Want met God (laatste vers) zullen zij dan overwinnen; God zal de vijanden vertreden.                                                                                                    

Piet Beishuizen