Leeswijzer

De in dit artikel genoemde bijbelvertalingen zijn:

S          Statenvertaling

W         Willibrordvertaling

NBG    Vertaling Nederlands Bijbelgenootschap 1951

NB       Naardense Bijbel

NBV     Nieuwe Bijbelvertaling

GN       Goed Nieuws bijbel

Na het openingsvers (1) schetst de dichter eerst hoe zijn situatie is (2-3) om daarna te vertellen hoe goed het de goddelozen gaat (4-12); vervolgens keert hij terug naar zichzelf (13-17a), tot hij begreep dat het de goddelozen slecht zou vergaan (17b- 20). Daarna keert hij weer terug tot zichzelf in zijn dwaasheid (21-22) om daarna blij te worden dat God hem nabij is (23-28) Deze lofzang wordt even onderbroken in vers 27 waarin hij terugkeert naar de status van de goddelozen.

De dichter begint met het vaststellen dat God goed is voor Israël, echter wel voor hen die Hem willen toebehoren. Wat hij echter ziet, is dat de bozen het ook goed hebben zoals in de volgende perikoop wordt beschreven en dat maakt hem afgunstig en hierdoor scheelde het maar weinig of hij was van het juiste pad afgegleden. In de verzen 4-7 wordt een grote waslijst opgesomd van zaken die gunstig verlopen voor de dwazen, voor mensen zonder God of gebod. In vers 8 zegt de dichter dat zij op hoge toon kwaadaardig spreken en andere mensen dreigen. Tot zover de aardse aspecten. Vervolgens zegt de dichter dat zij zich ook richten tot de hemel met hun grote mond, die overal op aarde is te horen (9). En dat is nog erger, want dan gaan anderen hen volgen en zelfs Gods volk achter deze goddelozen gaat aanlopen (10)

In vers 11 wordt God zelfs uitgedaagd met de kreet: Hoe zou God iets weten? Wat is er bekend bij de Allerhoogste. De dichter sluit af in vers 12 met te zeggen: Dat zijn nu de goddelozen; zij hebben nergens last van en ze worden ook nog eens alsmaar rijker.

Niet duidelijk is of hier sprake is van mensen uit de andere volken of dat sprake is van goddelozen in het volk Israël. Uit de tekst van vers 10 zou kunnen worden opgemaakt dat het om andere volken gaat, maar dan is het de vraag waarom maakt de dichter zich dan zo druk? Hoe kan hij dat weten dat het die anderen zo goed gaat. Wonen die zo dicht bij dat hij dat opmerkt en hebben de mensen van Gods volk dan allemaal die ervaring?

In de verzen 13-15 komt de dichter bij zichzelf en stelt dat hij toch rein van hart is en goed leeft. Desondanks gaat het hem slecht, elke dag weer, zelfs in de morgen ervaart hij pijn. Hij voelt dat hij wordt gestraft. Voor mij is het niet duidelijk of hij zich gestraft voelt omdat het de ander (de goddeloze) goed gaat of dat hij werkelijk pijn ervaart. Gezien de context van de vorige perikoop zal het wel op het eerste slaan. Dan zou er sprake kunnen zijn van afgunst en daar wordt in psalm 37 voor gewaarschuwd en ook in Spreuken 24 verzen 1 en 19 en dat is onjuist volgens de dichter. In het volgende vers wordt gesteld dat hij alsmaar blijft nadenken over deze kwestie; het bleef een kwellende bezigheid totdat hij zich terugtrok in de tempel (GN) of Gods heiligdom (W,NBV en NB) of Gods heiligdommen (S en NBG). Waarom hier het meervoud is vertaald is mij niet duidelijk; er is toch maar één tempel of waren er toch meer plaatsen waar men God kon vereren. In een andere psalm (84) – door mij eerder beschreven -  wordt ook gesproken van Gods woningen.

De overgang van het komen in de tempel van het ik (vers 17a) naar het einde van het hen (de goddelozen, vers 17b) is in mijn optiek een moeilijke. Het succes van de goddelozen was moeilijk te verteren en het bleef malen in zijn hoofd. Totdat hij in de tempel kwam; toen zag hij in wat de toekomst zou zijn van hen. Liet God het hem toen inzien en waarom niet eerder in zijn eigen huis? Moet het tempelbezoek als een metafoor worden gezien om in het denken niet bij jezelf te blijven, maar je open te stellen voor iets dat je kan overkomen. In zijn eigen denken zag de dichter alleen de mooie kanten van de goddelozen en in het licht van de grootheid van God kreeg hij ook een beeld van de donkere kanten van het leven van de goddelozen.

En dan schrijft hij in de volgende verzen (18-20) hoe het hen zal vergaan en dat is niet mals. Ze komen op glibberige paden, waardoor ze afglijden in de afgrond. Of ze vervallen tot een ruïne. Dit is een metafoor voor het niet meer zijn (afgrond) of voor een niet meer toonbaar mens (ruïne). De verschrikking gaat verder; er wordt gezegd dat ze in een oogwenk vergaan en hun lot vreselijk is. Een diametrale tegenstelling met de eerdere verzen, waarin werd verteld hoe goed het hen ging. Vers 20 is weer een wat moeilijk vers. Het beeld dat de dichter hiervoor schetst van de bozen heeft iets weg van een (boze) droom, waaraan wordt gedacht bij het ontwaken.

In 21-22 keert de dichter terug naar de voorlaatste perikoop waarin hij schetste dat hij maar niet begreep waarom het de bozen zo goed ging en het hem zo slecht ging. Hij zag echter nu in, dat hij zich als een dwaas had gedragen.

Ondanks de geschetste situatie in voorgaande twee verzen, wordt nu verhaald dat hij zich toch altijd in de nabijheid van God beschouwt; God hield hem vast (vers 23). Vervolgens zegt de dichter (24a) dat God hem leidt door zijn raad. In heerlijkheid opnemen (vers 24b) is mij niet duidelijk, gezien de oorspronkelijke joodse religie. Eerst in laatste eeuwen voor de jaartelling is deze veranderd in die zin dat men ook ging geloven op een leven na dit leven. Dit stukje tekst kan misschien ook als een metafoor zijn bedoeld in die zin dat het leven in de nabijheid van God als een eer kan worden gezien en dat het heerlijk is. Een aanknopingspunt hiervoor vind ik in vers 25b en 28a.

Dan zegt de dichter (vers 25) dat hij in de hemel niemand anders heeft dan God en dat is genoeg. Op de aarde verlangt hij niets meer. De NBV vertaling brengt hier iets anders naar voren, namelijk dat hij ‘geen ander’ wil. Een ander is dan iemand die in de plaats van God zou komen. Maar daar is in de oorspronkelijke tekst geen reden voor om zo te vertalen. Niets meer verlangen is iets anders dan naar geen ander verlangen. Dan gaat de dichter verder dat als zijn lichaam en hart het niet meer kunnen houden (bezwijken) God toch zijn toeverlaat (de rots) voor eeuwig blijft. Ook hier wordt het begrip eeuwigheid weer ingebracht. God is eeuwig voor de geslachten of eeuwig voor dichter? Opnieuw een moeilijkheid net als bij eerdere verzen. In het laatste vers komt de dichter weer bij zichzelf en stelt dat het hem het liefst is als hij dicht bij God kan zijn; bij God een toevlucht zoeken. En hij sluit de psalm af met de melding dat hij zal getuigen van alles wat God doet, heeft gedaan.

Piet Beishuizen