Dit is een gedicht waarvan het eerste woord van elke regel gerelateerd is aan het Hebreeuwse alfabet. Het is een persoonlijk gebed van de dichter om bescherming en de vraag aan God om de juiste weg. Soms worden de woorden van de persoonlijke relatie afgewisseld door teksten over die relatie met een algemene strekking. In het verleden werd de berijming van deze psalm heel vaak gezongen in de kerk

In de eerste twee verzen geeft de dichter zijn relatie tot God weer; zijn verlangen tot overgave aan zijn God en zijn vraag of God hem daarin niet alleen wil laten staan in relatie tot zijn omgeving. De vertalingen uit het Hebreeuws zijn hier nogal verschillend: ‘Laat mij niet beschaamd staan’ is in de recentere vertalingen (NBV) veranderd in ‘maak mij niet te schande’. Dit laatste roept een beeld op dat het God is, die iemand al of niet te schande maakt. Als je op God vertrouwt, je veilig waant bij God, behoef je toch niet bang te zijn dat God je tot schande zou maken. In het derde vers wordt hetzelfde gevraagd als in vers 2 (voor het ik), maar nu voor allen.

Vervolgens wordt door de dichter gevraagd om de goede weg in het leven (4 en 5) en aandacht gevraagd voor een aantal momenten in dat leven in relatie tot zijn God (6, 7 en 11). De verzen hier om heen (8-10 en 12-14) zijn in de derde persoon geschreven en geven weer hoe God is en wat Hij doet. De dichter vraagt dus eerst om de goede weg te herkennen; hij wil leren hoe hij moet wandelen en handelen. In vers 7 wordt de aandacht gevestigd op de zonden die de dichter in zijn jeugd heeft gedaan en wordt gevraagd deze niet in gedachten te houden, maar met liefde aan hem te denken. Zowel in vers 7 als in vers 11 komen de woorden ‘omwille van uw goedheid/naam’ of ‘om uws naam wil’ voor. Hierbij doet de dichter dus een beroep op God om hem zijn tekortkomingen te vergeven omdat God goed is en op grond van zijn naam eigenlijk niet anders kan. Het past bij God, maar er moet wel de erkenning van de schuld zijn en om vergeving moet worden gevraagd.

In de verzen 8-10 maakt de dichter al datgene dat hij hiervoor op zich zelf betrok, universeel door iedereen die de rechte paden treedt, God vreest, een vriend van God kan zijn. God wijst zondaars, die zich nederig weten de weg en hoe deze op de juiste manier te wandelen. In de volgende verzen (12-14) wordt aangegeven dat de godvrezende mens de juiste weg krijgt te horen van God; dat het hem goed zal gaan en dat mij mag aannemen dat zijn nageslacht het land zal erven. In de meest nauwgezette vertalingen (S en NB) wordt vertaald ‘de aarde beërven’. Dit roept toch een ander beeld op dan het land erven; veel grootser en universeler; de mens die de aarde van God erft. Maar dan wordt de verantwoordelijkheid (de rentmeester gedachte) voor de erfenis ook groter. Bij het land erven kan gemakkelijker worden gedacht aan het land van de overledene en dat sprake is van een juridische overgang.
In vers 14 komt opnieuw het aspect van de eerbied voor God naar voren en binnen dat kader zal God de mens zijn verbond met de mens bekend maken.

Op zich is dat vreemd omdat bekend was dat God met zijn volk een verbond had gesloten. Wellicht moet dit worden gezien in het licht van een steeds weerkerende herhaling van het feit dat God met de mens een verbond heeft gesloten. Je zou hieruit kunnen opmaken dat binnen ‘het verbond’ God vele verbonden sluit met de individuele mensen.
In de slot verzen (15-21) keert de dichter weer terug naar zijn persoonlijke situatie en herhaalt hij zijn angsten in relatie tot zijn vijanden. Hij vraagt God daarom bescherming en ook nog eens om vergeving van zijn zonden. In andere bewoordingen herhaalt hij datgene dat hij in het begin van gedicht naar voren heeft gebracht. Wellicht wil hij zeker zijn dat God hem hoort.
De psalm wordt afgesloten (vers 22) met de bede om Israël te verlossen van zijn angsten en komt misschien wat vreemd over na de persoonlijke beden van de dichter voor wat betreft zijn eigen positie. Het staat ook los van het alfabetisch gedicht.

Piet Beishuizen