In deze psalm verwoordt de dichter een nauwe relatie tussen hem en God, een zodanig nauwe relatie, dat die hem benauwt en hem doet vluchten, om daarna in te zien dat dit niet helpt en dan toch weer terugkeert tot het beschrijven van die relatie.
In eerste perikoop (1-6) komt een voor mij benauwende relatie naar voren tussen God en de dichter. De dichter ziet dat niet zo, hij beschrijft die relatie en heeft daar geen moeite mee. God doorgrondt hem, weet wat hij doet, werkt of rust, wat hij denkt en wat hij wil gaan zeggen. God weet van het uiterlijk en het innerlijk van de mens; de verzen 1 - 4. Maar de dichter ervaart ook de nabijheid van God als een geborgene (vers 5); God is hem nabij, God legt zelfs zijn hand op hem. Het is een mooi beeld om zo vertrouwt door het leven gaan en dan volgt in vers 6 dat dit alles hem te wonderbaar is; hij kan het niet begrijpen.

Hoewel dat in de eerste perikoop niet naar voren komt, blijkt in de volgende perikoop (7-12) dat die relatie toch wel als benauwend wordt ervaren; de dichter wil zich er toch wel aan onttrekken.
In vers 7 vraagt de dichter zich af waar hij heen zal gaan om van God weg te vluchten. Voor de plaats van de vlucht kiest hij voor verschillende metaforen, de hemel (de blijdschap), het dodenrijk (de angst) in vers 8 of het oosten of het westen in vers 9, maar overal zal God er zijn en hem vasthouden, vers 10. Zelfs als de duisternis hem overvalt dan toch is de nacht een licht voor hem( vers 11). In vers 12 wordt verteld dat het duister voor God geen duister is, maar licht. Een toch wat moeilijk stukje tekst, ook omdat de verschillende vertalingen nog al uiteenlopen.

In de volgende perikoop (12-18) gaat de dichter weer verder met het beschrijven van zijn relatie met God, maar nu nog dieper. God kent en doorgrondt hem niet alleen (1-6), maar heeft hem ook geweven in de schoot van zijn moeder (vers 13). De dichter dankt God voor deze wonderbare gebeurtenis. Welke gedachten en emotie komen hier vrij bij het beschrijven hiervan en ook bij het lezen van deze beschrijving. Wat riep dit op bij zijn lezers duizenden jaren geleden en wat roept dit op bij de huidige lezers van deze psalm. Deze woorden staan in schrille tegenstelling tot bewoordingen die thans soms worden gebruikt. De dichter gaat verder door te stellen dat alles wat God doet, wonderbaar is en dat hij dat goed beseft (vers 14).
In het volgende vers (15) gaat hij verder met het beschrijven van zijn oorsprong in mooie woorden. Hij werd niet alleen geweven in de schoot van zijn moeder, maar ook gevlochten in de diepten van de aarde.
In vers 16 wordt verteld dat God het vormeloos begin reeds zag; hiermee aangevend dat Hij reeds bij de conceptie aanwezig was en Gods ogen deze overschaduwde. Misschien mag je hieruit ook wel concluderen dat je op dat moment reeds in zijn verbond bent opgenomen en mag aannemen dat elk mens een kind van God is. De besnijdenis en de doop zijn dan alleen maar een uiterlijk teken. Het moment van het ontstaan heeft God ook op zijn boekrol geschreven. Hiermee geeft de psalmist aan dat God staat aan het begin van het leven en reeds vastgelegd heeft hoe het leven gaat verlopen. Een zienswijze die eeuwenlang het denken in het christendom gelding heeft gehad. Dit beeld heeft niet altijd tot een vreugdevol leven geleid bij veel mensen. Het boek moet mijns inziens niet letterlijk worden genomen, maar als een metafoor worden gezien van het bekend zijn bij God. Het begrijpen van de voorzienigheid, die hier zo prominent in deze psalm naar voren komt, is niet mogelijk te begrijpen. In mijn optiek moet ik dat maar laten rusten en laten bij ervaringen die dichters kunnen hebben en deze ook kunnen verwoorden.
De verzen 17 en 18a zijn ook niet echt te begrijpen wanneer de dichter zegt dat de gedachten van God hem kostbaar zijn en groot in aantal; ze zijn niet te tellen net als de zandkorrels. Wat moet ik me voorstellen bij de gedachten van God? Bij de werken van God kun je nog iets voorstellen als de natuur overkomt of daden van God zoals beschreven in de Schrift.
In vers 18b wordt verteld dat de dichter als hij ontwaakte nog bij God was. Heeft hij het voorgaande ervaren in een droom? Of moet hierin worden gelezen dat hij altijd, zowel bij het wakker zijn als het slapen zich verbonden kan voelen met God.
Het is mij volkomen onduidelijk waarom de dichter in de volgende verzen (19-22) op een ander thema zit en ook een heel andere woordkeus gebruikt. In vier verzen worden slechteriken ten tonele gevoerd, die kwaad over God spreken en daarom door de dichter worden gehaat.
In de eerste twee verzen (19 en 20) wordt door de dichter gevraagd hen om te brengen omdat zij arglistig zijn, kwaadaardig over God spreken en zijn naam misbruiken. Het zijn moordenaars, die de dichter wil ontwijken. Na dit statement spreekt hij zich in de volgende verzen (21 en 22) uit dat hij hen met afschuw ziet, omdat zij God haten en daarom haat hij hen ook met heel zijn hart.
Welk verband zou je kunnen leggen met de prachtige woorden uit het voorgaande in de tekst. Realiseert de dichter zich plotseling dat anderen zijn beschreven relatie met God niet zo zien en misschien belachelijk maken wanneer hij daarover vertelt. Het blijft echter gissen. Vooral omdat hij in de twee laatste verzen weer terugkeert naar het eerste deel van de psalm.
In vers 23 keert de dichter terug naar de beginverzen en in vers 24 vraag hij God hem te behoeden voor de verkeerde weg. Dit laatste vers zou terug kunnen slaan op de weg die de bozen, uit de vorige perikoop, gaan; maar ook dat is gissen.

Piet Beishuizen