Psalm 108

De woorden in deze psalm komen overeen met die uit twee andere psalmen. De verzen 2-6 zijn dezelfde als die uit psalm 57:8-12 en de verzen 7-14 zijn dezelfde als die uit psalm 60:7-14. Heeft de auteur van deze psalm zijn woorden uit de andere psalmen gehaald zonder toevoeging van enig eigen materiaal of hebben de auteurs van de andere psalmen woorden van zijn gedicht gebruikt bij hun eigen teksten?

Psalm 62

De dichter begint deze psalm met het plaatsen van zijn eigen positie (2 en 3); vervolgens blijken er kwaadwilligen op hem af te komen (4 en 5) en daarna keert hij weer terug naar zichzelf (6-8). Dan volgen een aantal verzen waarin hij zijn omgeving (lezers) aanspreekt (9-11) om daarna af te sluiten met de relatie tussen God en hem (12 en 13).

In dit eerste stukje tekst gaat het over het lijden van het volk in oorlogstijd en de tekst lijkt weer te geven dat de oorlog woedt op eigen terrein blijkens de volgende verzen.
De psalm gaat in vers 3 verder door aan te geven dat het volk voelde dat God hen verstoten én gebroken had en dat Hij zijn woede over hen had uitgestort. Dat was nogal wat en zij zaten in zak en as en vroegen om opnieuw een relatie met God. In vers 4 wordt de toorn gevoeld op het land, het werd gescheurd en gespleten (door oorlogsgeweld?). Of moet dit symbolisch worden gezien als een herhaling van het vorige vers? Het land kan namelijk moeilijk wankelen (2e helft van vers 4). Ook nu wordt gevraagd om herstel van de schade.

De dichter begint in vers 2 met de vraag of God hem genadig wil zijn. Hij verkeert blijkbaar in gevaar. Hij wil zich beschermd weten onder de vleugels van God, totdat het gevaar is geweken. Het beeld van de vleugels komt in meer psalmen voor en staat voor de liefdevolle zorg van God. In vers 3 zet hij kracht bij door te roepen tot de allerhoogste God. De dichter lijkt hier aan te willen geven dat de God van Israël toch wel boven alle andere goden staat. In vers 4 zegt de dichter dat God hem hulp zal schenken vanuit de hemel en te schande maakt degene die hem te na komt. Maar hem (de dichter) zal de vriendschap en trouw van God ten deel vallen.

Deze psalm is één van de zeven boetpsalmen die de christelijke liturgie kent voor tijden van rouw. De andere psalmen zijn: 6, 38, 51, 102, 130 en 143. De dichter brengt in deze psalm de inhoud vanuit verschillende invalshoeken naar voren, namelijk vanuit zichzelf - wanneer hij in de eerste persoon spreekt – vanuit het algemene en vanuit God. De dichter begint de psalm met te stellen (vers 1 en 2) dat een mens gelukkig kan zijn wanneer God de overtredingen vergeeft, de zonde wordt toegedekt, de begane ongerechtigheid niet wordt toegerekend en in wiens hart geen bedrog is. De bewoordingen van de genadegaven laten op het eind wel een voorwaarde zien, namelijk dat de zondaar oprecht moet zijn. Maar het blijft groots dat de dichter eerst de genadige God ziet en daarna de mens, die geen bedrog mag koesteren. Paulus citeert deze verzen in Romeinen 4:7-8 wanneer hij de rechtvaardiging voor God behandelt. Maar in die behandeling vertelt hij dat God mensen rechtvaardigt door in Jezus Christus te geloven,(3: 22). Een voorwaarde die de dichter in psalm 32 helemaal niet kende en ook nergens voorkomt in de Hebreeuwse bijbel.

Leeswijzer

De in dit artikel genoemde bijbelvertalingen zijn:

S          Statenvertaling

W         Willibrordvertaling

NBG    Vertaling Nederlands Bijbelgenootschap 1951

NB       Naardense Bijbel

NBV     Nieuwe Bijbelvertaling

GN       Goed Nieuws bijbel

Na het openingsvers (1) schetst de dichter eerst hoe zijn situatie is (2-3) om daarna te vertellen hoe goed het de goddelozen gaat (4-12); vervolgens keert hij terug naar zichzelf (13-17a), tot hij begreep dat het de goddelozen slecht zou vergaan (17b- 20). Daarna keert hij weer terug tot zichzelf in zijn dwaasheid (21-22) om daarna blij te worden dat God hem nabij is (23-28) Deze lofzang wordt even onderbroken in vers 27 waarin hij terugkeert naar de status van de goddelozen.

De psalmen bieden een bloemlezing van religieuze lyriek uit het oude Israël; ze zouden voor het overgrote deel zijn geschreven tussen 1000 en 500 voor onze jaartelling. . De psalmen worden toegeschreven aan verschillende personen, waarvan vele aan David, maar daar is geen bewijs voor.
Ook in het christendom hebben zij eeuwenlang een belangrijke plaats ingenomen in de beleving van de religie. Dit is mijns inziens in belangrijke mate toe te schrijven aan de berijming van deze gedichten. Ze konden daardoor in elke bijeenkomst worden gezongen.

Dit is een gedicht waarvan het eerste woord van elke regel gerelateerd is aan het Hebreeuwse alfabet. Het is een persoonlijk gebed van de dichter om bescherming en de vraag aan God om de juiste weg. Soms worden de woorden van de persoonlijke relatie afgewisseld door teksten over die relatie met een algemene strekking. In het verleden werd de berijming van deze psalm heel vaak gezongen in de kerk

In deze psalm verwoordt de dichter een nauwe relatie tussen hem en God, een zodanig nauwe relatie, dat die hem benauwt en hem doet vluchten, om daarna in te zien dat dit niet helpt en dan toch weer terugkeert tot het beschrijven van die relatie.
In eerste perikoop (1-6) komt een voor mij benauwende relatie naar voren tussen God en de dichter. De dichter ziet dat niet zo, hij beschrijft die relatie en heeft daar geen moeite mee. God doorgrondt hem, weet wat hij doet, werkt of rust, wat hij denkt en wat hij wil gaan zeggen. God weet van het uiterlijk en het innerlijk van de mens; de verzen 1 - 4. Maar de dichter ervaart ook de nabijheid van God als een geborgene (vers 5); God is hem nabij, God legt zelfs zijn hand op hem. Het is een mooi beeld om zo vertrouwt door het leven gaan en dan volgt in vers 6 dat dit alles hem te wonderbaar is; hij kan het niet begrijpen.

‘Het ruime hemelrond vertelt met blijden mond Gods eer en heerlijkheid’. Deze woorden van het eerste vers van de oude berijming van deze psalm roepen bij mij altijd iets op van de grootsheid van de schepping en wie ben ik die daarin past. Het leek mij daarom goed om deze psalm eens nader te bekijken.
De psalm bevat drie stukjes tekst die elk een aspect van het leven van de mens belichten. Allereerst besteedt de dichter aandacht aan de schepping; wat heeft God gedaan (2-7), vervolgens gaat het over de relatie tussen God en de mens; wat heeft God gezegd (8-11) en tenslotte verschijnt het individu ten tonele; een gesprek tussen God en het ik (12-15).