Aangegeven wordt dat deze psalm de eerste is van de vijftien pelgrimsliederen (120-134). Men neemt aan dat deze liederen gezongen werden tijdens het opgaan naar Jeruzalem ter gelegenheid van de drie grote feesten, zoals deze op verzoek van God zijn ingesteld (Exodus 23:14-17).
Als ik de beginregels van deze psalm lees roept die in eerste instantie niet de herinnering aan een pelgrimage op gezien de beginwoorden om de vraag aan God de tegenstanders te bestraffen met straffen die niet mals zijn.

In vergelijking met het vorige Liedboek voor de Kerken telt dit nieuwe boek aanzienlijk meer liederen, namelijk 1016 plus de nog nodige a,b,c nummers bij de liederen. Het vorige liedboek had een inhoud van 150 psalmen en 491 gezangen; een ruime verdubbeling dus.
De oude psalmen en gezangen zijn nu liederen geworden en bij de eerste 150 liederen zijn een groot aantal aanvullende a,b en c nummers toegevoegd, die soms een inhoud hebben die niet strookt met de inhoud van het overeenkomstige lied.

Psalm 138

Bij het doorbladeren van het boek van de psalmen werd ik getroffen door het kopje boven deze psalm in Groot Nieuws, namelijk ‘U houdt mij in leven’ en het leek mij goed deze eens te bestuderen. Bij het bekijken van de berijmde psalm kwamen meer herinneringen op, Door het niet meer vaak zingen van psalmen in de kerkdienst raak je de tekst gauw kwijt. De psalm begint (1-3) met de ik/mij vorm en sluit (7-8) daar ook mee af; in een tussengedeelte (4-6) wordt de wij/ons vorm gebruikt. Daarom bespreek ik deze psalm in drie stukjes.

Psalm 121

Psalm 121 is een bemoedigend en troostrijk lied. Het behoort voor velen tot de meest favoriete psalmen. Dit doorleefde, poëtische lied bezingt evenals psalm 23 de trouw en de stille nabijheid van de Eeuwige.
Deze psalm is de tweede van de vijftien pelgrimsliederen (120-134). Men neemt aan dat deze liederen gezongen werden tijdens het opgaan naar Jeruzalem ter gelegenheid van de drie grote feesten, zoals deze op verzoek van God zijn ingesteld (Exodus 23:14-17).

Psalm 108

De woorden in deze psalm komen overeen met die uit twee andere psalmen. De verzen 2-6 zijn dezelfde als die uit psalm 57:8-12 en de verzen 7-14 zijn dezelfde als die uit psalm 60:7-14. Heeft de auteur van deze psalm zijn woorden uit de andere psalmen gehaald zonder toevoeging van enig eigen materiaal of hebben de auteurs van de andere psalmen woorden van zijn gedicht gebruikt bij hun eigen teksten?

Psalm 62

De dichter begint deze psalm met het plaatsen van zijn eigen positie (2 en 3); vervolgens blijken er kwaadwilligen op hem af te komen (4 en 5) en daarna keert hij weer terug naar zichzelf (6-8). Dan volgen een aantal verzen waarin hij zijn omgeving (lezers) aanspreekt (9-11) om daarna af te sluiten met de relatie tussen God en hem (12 en 13).

In dit eerste stukje tekst gaat het over het lijden van het volk in oorlogstijd en de tekst lijkt weer te geven dat de oorlog woedt op eigen terrein blijkens de volgende verzen.
De psalm gaat in vers 3 verder door aan te geven dat het volk voelde dat God hen verstoten én gebroken had en dat Hij zijn woede over hen had uitgestort. Dat was nogal wat en zij zaten in zak en as en vroegen om opnieuw een relatie met God. In vers 4 wordt de toorn gevoeld op het land, het werd gescheurd en gespleten (door oorlogsgeweld?). Of moet dit symbolisch worden gezien als een herhaling van het vorige vers? Het land kan namelijk moeilijk wankelen (2e helft van vers 4). Ook nu wordt gevraagd om herstel van de schade.

De dichter begint in vers 2 met de vraag of God hem genadig wil zijn. Hij verkeert blijkbaar in gevaar. Hij wil zich beschermd weten onder de vleugels van God, totdat het gevaar is geweken. Het beeld van de vleugels komt in meer psalmen voor en staat voor de liefdevolle zorg van God. In vers 3 zet hij kracht bij door te roepen tot de allerhoogste God. De dichter lijkt hier aan te willen geven dat de God van Israël toch wel boven alle andere goden staat. In vers 4 zegt de dichter dat God hem hulp zal schenken vanuit de hemel en te schande maakt degene die hem te na komt. Maar hem (de dichter) zal de vriendschap en trouw van God ten deel vallen.

Deze psalm is één van de zeven boetpsalmen die de christelijke liturgie kent voor tijden van rouw. De andere psalmen zijn: 6, 38, 51, 102, 130 en 143. De dichter brengt in deze psalm de inhoud vanuit verschillende invalshoeken naar voren, namelijk vanuit zichzelf - wanneer hij in de eerste persoon spreekt – vanuit het algemene en vanuit God. De dichter begint de psalm met te stellen (vers 1 en 2) dat een mens gelukkig kan zijn wanneer God de overtredingen vergeeft, de zonde wordt toegedekt, de begane ongerechtigheid niet wordt toegerekend en in wiens hart geen bedrog is. De bewoordingen van de genadegaven laten op het eind wel een voorwaarde zien, namelijk dat de zondaar oprecht moet zijn. Maar het blijft groots dat de dichter eerst de genadige God ziet en daarna de mens, die geen bedrog mag koesteren. Paulus citeert deze verzen in Romeinen 4:7-8 wanneer hij de rechtvaardiging voor God behandelt. Maar in die behandeling vertelt hij dat God mensen rechtvaardigt door in Jezus Christus te geloven,(3: 22). Een voorwaarde die de dichter in psalm 32 helemaal niet kende en ook nergens voorkomt in de Hebreeuwse bijbel.

Leeswijzer

De in dit artikel genoemde bijbelvertalingen zijn:

S          Statenvertaling

W         Willibrordvertaling

NBG    Vertaling Nederlands Bijbelgenootschap 1951

NB       Naardense Bijbel

NBV     Nieuwe Bijbelvertaling

GN       Goed Nieuws bijbel

Na het openingsvers (1) schetst de dichter eerst hoe zijn situatie is (2-3) om daarna te vertellen hoe goed het de goddelozen gaat (4-12); vervolgens keert hij terug naar zichzelf (13-17a), tot hij begreep dat het de goddelozen slecht zou vergaan (17b- 20). Daarna keert hij weer terug tot zichzelf in zijn dwaasheid (21-22) om daarna blij te worden dat God hem nabij is (23-28) Deze lofzang wordt even onderbroken in vers 27 waarin hij terugkeert naar de status van de goddelozen.